RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 21/6120 V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juli 2022 op het verzet van [opposant] , te [woonplaats] , opposant. Procesverloop Opposant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (verweerder) op het handhavingsverzoek van 11 februari
- Bij uitspraak van 3 maart 2022 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard. Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld. De rechtbank heeft het verzet op 21 juni 2022 op zitting behandeld. Opposant is verschenen. Overwegingen
- De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat niet voldaan is aan de voorwaarden van artikel 6:2 en 6:12 van de Awb omdat verweerder reeds op 25 mei 2021 heeft beslist op het handhavingsverzoek van 11 februari
- In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of zij in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is. 3 Opposant voert in verzet aan dat verweerder in zijn brief van 25 mei 2021 verwijst naar een drietal handhavingsverzoeken (kenmerken [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] ), waaronder onderhavig handhavingsverzoek met betrekking tot de bouwplaats inclusief afrastering (kenmerk [nummer 1] ). In de brief is verweerder echter alleen inhoudelijk ingegaan op het handhavingsverzoek met betrekking tot het plaatsen van een bouwhek, afvalcontainer en bouwlift (kenmerk [nummer 3] ). Daarmee wordt aangetoond dat de brief van 25 mei 2021 geen beslissing kan zijn op onderhavig handhavingsverzoek. Tevens stelt opposant dat verweerder pas bij besluit van 19 juli 2021 op het handhavingsverzoek met betrekking tot het plaatsen van een bouwhek, afvalcontainer en bouwlift (kenmerk [nummer 3] ) heeft beslist. Hiermee komt vast te staan dat de brief van 25 mei 2021 geen voor bezwaar vatbaar besluit is.
- Uit wat opposant heeft aangevoerd, volgt dat de rechtbank in de buiten-zittinguitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, niet-ontvankelijk was en de zaak ten onrechte zonder zitting heeft afgedaan. Immers, de rechtbank heeft zonder nadere uitvraag aan verweerder of het handhavingsverzoek van 11 februari 2021(kenmerk [nummer 1] ) daadwerkelijk is meegenomen in de beslissing van 25 mei 2021 geconcludeerd dat zulks het geval is. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die buiten-zittinguitspraak werd gedaan. De zaak wordt hierna alsnog op een zitting behandeld. Ter voorlichting merkt de rechtbank op dat ook na het onderzoek ter zitting het eindoordeel kan zijn dat het beroep niet-ontvankelijk is.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet gegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Dirks, rechter, in aanwezigheid van F.J. Leegstraten, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 juli
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.