← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2022:6130

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.11189 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam], eiser V-nummer: [Nummer] (gemachtigde: mr. P.W. Bakkum), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 14 juni 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft, na akkoord van partijen, bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Op 20 juni 2022 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten

  1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geb. datum] 1996 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
  2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser: 3a: Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe gedaan; 3b: zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3d: niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; 3f: zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten. en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a: zich niet aan één of meer andere voor hem/haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden; 4c: geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d: niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
  3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden waarop de maatregel berust niet heeft betwist. De onbetwiste gronden zijn voldoende om aan te nemen dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en kunnen de maatregel van bewaring dragen.
  4. Eiser heeft aangevoerd dat geen zicht bestaat op overdracht omdat verweerder nog geen claim heeft gelegd in het kader van de Dublinverordening.
  5. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de maatregel van bewaring nodig is, omdat er een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht van eiser als bedoeld in de Dublinverordening en er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er concrete aanwijzingen bestaan dat eiser onder de werkingssfeer van de Dublinverordening valt, omdat onderzoek in het Eurodac-systeem heeft geleid tot twee treffers, namelijk in Oostenrijk (d.d. 01 april 2022) en Bulgarije (d.d. 11 februari 2022).
  6. De rechtbank stelt voorop dat de vraag of eiser in het kader van de Dublinverordening aan een andere lidstaat van de Europese Unie kan worden overgedragen dient te worden beoordeeld in het kader van een asielprocedure of een procedure inzake de overdracht. Dat neemt niet weg dat, als eiser in de onderhavige procedure aantoont dat op voorhand vaststaat dat de beoogde overdracht niet kan plaatsvinden, dit betrokken kan worden bij de vraag of zicht op uitzetting bestaat.
  7. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat in eisers geval een concreet aanknopingspunt voor overdracht als bedoeld in de Dublinverordening. Uit de enkele omstandigheid dat nog geen claimverzoek is ingediend kan op dit moment niet worden afgeleid dat op voorhand vaststaat dat overdracht niet mogelijk is. Verweerder mag immers op het moment van het opleggen van de maatregel van bewaring aan de hand van deze aanknopingspunten onderzoeken bij welk land een claimverzoek moet worden neergelegd. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring op een juiste grondslag berust en dat er op dit moment zicht op overdracht aanwezig is. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie
  8. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
  9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. N.F. Kreeftmeijer, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 oktober 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK0505.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.