← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2022:6351

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.10052 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam], eiser, V-nummer: [Nummer] (gemachtigde: mr. M.M. van Woensel), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 31 mei 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL22.10053, op 23 juni 2022 op zitting behandeld. Partijen zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen

  1. Niet in geschil is dat eiser voor zijn komst naar Nederland in Spanje heeft verbleven. Op 4 augustus 2018 heeft hij in Spanje een verzoek om internationale bescherming ingediend. Spanje heeft het verzoek van verweerder tot terugname op grond van artikel 18, eerste lid, onder b van de Dublinverordening geaccepteerd op 30 maart
  2. Verweerder mag er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel van uitgaan dat Spanje zijn internationale verplichtingen nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dat niet het geval is. Eiser is hierin niet geslaagd. Eiser stelt dat hij in Spanje heeft verbleven zonder hulp. Hij had geen onderdak, geen eten, geen medische voorzieningen en geen bijstand. Door de taalbarrière lukte het eiser niet om hierover te klagen. Daartoe verwijst hij naar het AIDA-rapport van
  3. Uit het rapport volgt weliswaar dat de toegang tot de opvang in Spanje tekortkomingen kent, maar niet is gebleken dat de problemen dermate structureel en ernstig zijn dat bij overdracht aan Spanje op voorhand moet worden geoordeeld dat sprake is van een reëel risico op schending van artikel 4 van het Handvest of artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft zijn stelling over het niet hebben van opvang, dat de medische voorzieningen en procedurele waarborgen slecht zijn ook niet onderbouwd. In het geval eiser inderdaad te maken zal hebben met de omstandigheden zoals hij stelt, kan hij daarover klagen bij de Spaanse autoriteiten. Niet is gebleken dat deze mogelijkheid voor eiser niet bestaat, dan wel dat klagen bij voorbaat zinloos is.
  4. Ter beoordeling staat verder nog of verweerder het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling had moeten nemen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat een overdracht aan Spanje van een onevenredige hardheid getuigt.
  5. De slotsom is dat verweerder niet verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser en dat hij de verantwoordelijkheid daarvoor ook niet aan zich heeft hoeven trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.
  6. Het beroep is ongegrond.
  7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2022 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. N. de Zeeuw, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw). Verordening (EU) nr. 604/
  8. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.