RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL21.18423 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. N. van Bremen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J. Visschers). Procesverloop Bij besluit van 18 november 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de algemene procedure buiten behandeling gesteld. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL21.18424, plaatsgevonden op 26 januari 2022 te Breda. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen
- Allereerst is ter beoordeling of eiser belang heeft bij de beoordeling van zijn aanvraag. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Desgevraagd heeft de gemachtigde van eiser meegedeeld dat eiser in een penitentiaire inrichting in Nederland verblijft en contact met hem onderhoudt. Niet gezegd kan worden dat eiser geen prijs meer stelt op asielrechtelijke bescherming in Nederland. Eiser heeft dan ook belang heeft bij de beoordeling van zijn asielaanvraag. Het beroep van eiser is ontvankelijk.
- Eiser is zonder enig bericht niet verschenen voor zijn nader gehoor. Hij heeft evenmin gereageerd op de mogelijkheid, geboden in het voornemen, om binnen twee weken contact op te nemen met verweerder. Verweerder heeft het voornemen en de uitnodiging voor het nader gehoor aan het bij verweerder bekende adres van eiser, afkomstig van de Basisregistratie personen, toegezonden. In het digitale dossier heeft verweerder de verzendadministratie getoond. Niet is gebleken dat verweerder het voornemen niet op de juiste wijze bekend heeft gemaakt. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser daarom terecht buiten behandeling gesteld. Verweerder is daarom ook terecht niet toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling of eiser bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico zal lopen op een schending van artikel 4 van het Handvest.
- Dit brengt met zich dat terecht een terugkeerbesluit met onmiddellijke vertrektermijn is uitgevaardigd en dat vervolgens terecht een inreisverbod voor de duur van twee jaren is uitgevaardigd. De enkele niet onderbouwde stelling dat eiser familieleven moet onderhouden met familieleden en een partner in Nederland, is onvoldoende om van de uitvaardiging van een inreisverbod af te zien.
- Het beroep is dan ook ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2022 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier. Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet
- Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet
- Zoals bedoeld in artikel 66a, achtste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.