Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/628702 / KG ZA 22-376 Vonnis in kort geding van 16 mei 2022 in de zaak van [eiser] , feitelijk verblijvende in de penitentiaire inrichting [locatie] te [plaats] , eiser, advocaten mrs. A. Tariki en M.J.R. Roethof te Arnhem, tegen: DE STAAT DER NEDERLANDEN, het ministerie van Justitie en Veiligheid, meer in het bijzonder het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. J. Perenboom te Den Haag. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties; - de conclusie van antwoord met producties; - de op 9 mei 2022 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd. 1.2. Ter zitting is vonnis bepaald op vandaag. 2De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. De Duitse autoriteiten hebben op 13 augustus 2020 een Europees Aanhoudingsbevel jegens [eiser] uitgevaardigd (hierna: het EAB). De aanleiding daarvoor is een verdenking jegens [eiser] van betrokkenheid bij grensoverschrijdend handelen in harddrugs in de periode 19 tot en met 26 september 2018. De Duitse autoriteiten hebben het EAB op 10 augustus 2021 aan het Nederlandse Openbaar Ministerie gestuurd en daarbij verzocht om de aanhouding en overlevering van [eiser] . [eiser] is vervolgens op 8 september 2021 aangehouden. Hij was op dat moment gedetineerd in verband met een Nederlandse strafzaak. 2.2. [eiser] is in die Nederlandse strafzaak bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 januari 2021 veroordeeld voor het bezit en het (grensoverschrijdend) vervoer van harddrugs in de periode van 14 juni tot en met 20 augustus 2019. Aan hem is een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 voorwaardelijk. [eiser] heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. 2.3. De Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 11 november 2021 de door Duitsland verzochte overlevering toegestaan. 2.4. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 23 maart 2022 [eiser] veroordeeld voor dezelfde feiten als waarvoor hij door de rechtbank was veroordeeld en aan hem dezelfde straf opgelegd. 2.5. Nu nog niet is beslist op het door [eiser] ingestelde cassatieberoep tegen dat arrest, heeft de Minister van Rechtsbescherming op grond van artikel 36, tweede lid, van de Overleveringswet (Ow) onder het stellen van voorwaarden bepaald dat [eiser] voorlopig ter beschikking dient te worden gesteld van de Duitse autoriteiten met het oog op het daar lopende strafrechtelijk onderzoek. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de Staat te verbieden om tot feitelijke overleving van [eiser] over te gaan zolang tegen hem een strafrechtelijke vervolging in Nederland gaande is of een door een Nederlandse rechter tegen hem gewezen strafvonnis nog geheel of ten dele voor tenuitvoerlegging vatbaar is, op straffe van verbeurte van een dwangsom, dan wel een andere voorziening te treffen, met veroordeling van de Staat in de proceskosten op de wijze zoals in de dagvaarding is vermeld. 3.2. Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. De voorlopige terbeschikkingstelling dan wel feitelijke overlevering van [eiser] aan Duitsland is onrechtmatig jegens hem. Deze zou een belemmering vormen van de cassatieprocedure die in zijn Nederlandse strafzaak loopt. Een vervolging in Duitsland zou voorts in strijd zijn met het ne bis in idem-beginsel en er is sprake van ernstige humanitaire redenen die in de weg staan aan de feitelijke overlevering. 3.3. De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4De beoordeling van het geschil 4.1. Aan de orde is of de feitelijke overlevering van [eiser] aan Duitsland doorgang kan vinden. De rechtbank Amsterdam is de door de wetgever exclusief aangewezen rechterlijke instantie voor de behandeling van overleveringsverzoeken in het kader van het EAB. Die rechtbank heeft het verzoek ten aanzien van [eiser] behandeld en daarop op 11 november 2021 toewijzend beslist. Daarbij heeft die rechtbank onder andere het door [eiser] aangevoerde verweer dat sprake is van strijd met het ne bis in idem-beginsel verworpen en de stellingen dat [eiser] een gezin heeft in Nederland en belangrijke medische onderzoeken in Nederland heeft lopen, niet redengevend geacht om de overlevering te weigeren. 4.2. Uitgangspunt is dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in het algemeen met zich brengt dat een partij die zich niet kan verenigen met de beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.