← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2022:7089

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL22.12100 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. H. Martens), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 1 juni 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Op 30 juni 2022 heeft eiser de beroepsgronden ingediend. Op 1 juli 2022 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Op 6 juli 2022 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Overwegingen

  1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Turkse nationaliteit te bezitten.
  2. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Eiser heeft in de zienswijze van 10 juni 2022 aangegeven mee te willen werken aan zijn overdracht aan Slovenië. Hij heeft daarbij verweerder verzocht om zo spoedig mogelijk te beslissen op zijn asielaanvraag en de overdracht te realiseren. Uit het vertrekgesprek van 14 juni 2022 blijkt ook dat eiser mee wil werken aan zijn overdracht. Verweerder heeft pas op 22 juni 2022 beslist op de asielaanvraag van eiser, dit had veel eerder gekund. Ook is niet te volgen dat er een vlucht is geboekt voor 7 juli
  3. Dit is twee weken na het besluit, terwijl er dagelijks vluchten naar Slovenië gaan. De maatregel van bewaring is vanaf 11 juni onrechtmatig, aldus eiser.
  4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld. Op de derde dag van de bewaring is verweerder begonnen met vertrekhandelingen. Dat eiser heeft verklaard mee te willen werken aan zijn overdracht, maakt niet dat verweerder anders had moeten handelen. Eiser wilde immers blijkens zijn opstelling de uitkomst van zijn asielaanvraag in Nederland afwachten.
  5. Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven na het uitbrengen van het besluit 24 uur te hebben gewacht met het aanvragen van een vlucht, voor het geval eiser toch een rechtsmiddel zou aanwenden tegen het besluit. Aangezien verweerder op 24 juni 2022 een vlucht voor eiser heeft aangevraagd, heeft verweerder voldoende voortvarend gehandeld. Dat er pas op 7 juli 2022 een geschikte vlucht voor eiser beschikbaar was, maakt dat niet anders. Verweerder is immers afhankelijk van de medewerking van de Sloveense autoriteiten en de luchtvaartmaatschappij.
  6. De maatregel is van meet af aan rechtmatig. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
  7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Vreemdelingenwet 2000.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.