RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 20/7502 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juni 2022 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (gemachtigde: M.A. Brouwer). Procesverloop In het besluit van 17 juni 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij per 14 april 2020 recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), maar dat de uitkering niet tot uitbetaling komt wegens verwijtbare werkloosheid. In het besluit van 20 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2022 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder. Overwegingen Wat vooraf ging aan de procedure 1.1 Eiser, geboren op [geboortedag] 1979, is na het behalen van zijn Hbo-opleiding Engels, werkzaam geweest in het onderwijs. Op 15 oktober 2016 is hij in dienst getreden bij McDonalds (de werkgever). Per 16 april 2018 betrof het een dienstverband voor onbepaalde tijd. Per 1 februari 2020 is zijn functie tijdelijk gewijzigd naar host voor de duur van 6 maanden. Sinds de lockdown in april 2020 is eiser niet meer naar het werk gegaan. Hij heeft niet gereageerd op sommaties (van onder meer 5 en 8 april 2020) vanuit de werkgever om contact op te nemen. Bij (aangetekende) brief en per e-mail is eiser op 13 april 2020 op staande voet ontslagen wegens werkweigering. Tegen dit ontslag is hij niet opgekomen bij de kantonrechter. Eiser heeft op 17 april 2020 een WW-uitkering aangevraagd. Sindsdien is eiser bezig met omscholing (naar ICT). 1.2 Naar aanleiding van de aanvraag om een WW-uitkering heeft verweerder het primaire besluit genomen. In het primaire besluit is vermeld dat eiser verwijtbaar werkloos is, omdat hij zelf ontslag heeft genomen. De WW-uitkering wordt daarom blijvend niet aan eiser uitbetaald. Standpunt van verweerder 2. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat eiser verwijtbaar werkloos is omdat hij zich zo heeft gedragen dat van de werkgever niet verlangd kon worden dat eiser nog langer in dienst werd gehouden. Verweerder begrijpt dat de coronacrisis impact heeft gehad, maar eiser had zijn zorgen en de omstandigheden over de veiligheid op het werk aan de werkgever kenbaar moeten maken. De werkgever heeft hem meerdere keren gesommeerd om zijn werk te hervatten, maar eiser heeft daaraan op geen enkele wijze gehoor gegeven. Eiser is daarom op staande voet ontslagen en komt daarom niet voor een WW-uitkering in aanmerking. Standpunt van eiser 3. Eiser voert aan dat het niet veilig was om bij de werkgever te werken gedurende de coronacrisis. Zo werd niet voldaan aan de door het RIVM opgestelde regels door de bedrijfsleiding, andere collega’s en gasten. Daarnaast ontkende de bedrijfsleiding de ernst van het coronavirus. Eiser communiceerde niet goed omdat de situatie niet normaal was en hij niet logisch nadacht. Achteraf gezien had hij zich ziek moeten melden. Daarnaast voert eiser aan dat de behandeling van zijn bezwaar door verweerder partijdig en vooringenomen is verlopen. Beoordeling door de rechtbank 4.1 Eiser heeft op de zitting verklaard dat bij de hoorzitting in bezwaar twee medewerkers van verweerder aanwezig waren, [A] en [B] . Voorafgaand aan de hoorzitting werd aangekondigd dat [A] tijdens het gesprek zou observeren, maar feitelijk leidde zij het gesprek. [B] is op het bestreden besluit vermeld als degene die het besluit heeft genomen. Eiser voert aan dat dit onzorgvuldig is, omdat [A] een zware stempel heeft gedrukt op de besluitvorming. Als een beslissing door meerdere personen is genomen, dan moet dat in het betreffende besluit staan. 4.2 Verweerder heeft in reactie daarop verklaard dat [A] aanwezig was bij de zitting omdat zij meer ervaren is dan [B] en zij [B] opleidde. Het bestreden besluit is niet door dezelfde medewerker genomen als het primaire besluit. Welke medewerkers bij de hoorzitting aanwezig zijn doet er niet toe; de hoorzitting heeft tot doel dat eiser zijn verhaal kan doen. [A] en [B] zijn beiden medewerkers van de afdeling bezwaar en beroep. Het bestreden besluit is door [B] genomen en daarom is de naam [B] in het bestreden besluit vermeld. 4.3 De rechtbank overweegt dat in het verslag van de hoorzitting is vermeld dat [B] als voorzitter aanwezig was en [A] als verslaglegger. In dit verslag is niet tot uitdrukking gebracht dat - zoals verweerder ter zitting toelichtte - de hoorzitting in feite door [A] als opleider is geleid. In dit verslag en in het bestreden besluit komt niet tot uitdrukking dat zij een beslissende rol had in de besluitvorming. In het bestreden besluit is uitsluitend [B] als beslisser vermeld. Voorzover [A] een (beslissende) rol heeft gehad in de besluitvorming en het feit dat haar naam niet in het bestreden besluit is vermeld een zorgvuldigheidsgebrek oplevert, geldt dat dit gebrek gepasseerd kan worden met artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat aannemelijk is dat eiser hierdoor niet is benadeeld. 5.1 Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW legt de werknemer de verplichting op te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Volgens artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos als aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 7:678 van het BW en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt. Of er sprake is van zo’n dringende reden moet worden beoordeeld naar de maatstaven van het arbeidsovereenkomstenrecht. 5.2 Uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (Raad) volgt dat voor de vraag of er sprake is van verwijtbare werkloosheid, gelet op de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, moet worden beoordeeld of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt. Daarbij is artikel 7:678 van het BW de maatstaf en moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang bezien, in aanmerking worden genomen. Tot de elementen die moeten worden gewogen, behoren de aard en ernst van de gedraging(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.