Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummer: 09/767078-19 en 09/239969-18 (tul) Datum uitspraak: 26 juli 2022 Tegenspraak De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] , BRP-adres: [adres] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 22 september 2020, 11 december 2020, 10 november 2021, 13 oktober 2021 (alle pro forma), 29 april 2022 (regie) 12 juli 2022 (inhoudelijke behandeling). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. van Oosten en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. A.D. Kloosterman naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Rechtmatigheid EncroChat 3.1 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verweer gevoerd ten aanzien van de rechtmatigheid van het verkrijgen en gebruik van Encrochat-gegevens. Volgens de verdediging is –samengevat – het verkrijgen en gebruik van Encrochat-gegevens strijdig met het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), het Unierecht en/of het Handvest en daarmee onrechtmatig. Deze onrechtmatigheid dient te leiden tot bewijsuitsluiting van de verkregen gegevens, dan wel strafvermindering. Ook heeft de raadsman een aantal voorwaardelijke verzoeken gedaan. Op specifieke standpunten van de verdediging zal hierna – voor zover van belang – worden ingegaan. 3.2. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de verwerving van de gegevens rechtmatig heeft plaatsgevonden en dat de berichten voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Op specifieke standpunten van de officier van justitie zal hierna – voor zover van belang – nader worden ingegaan. 3.3. Het oordeel van de rechtbank Geen strijd met artikel 6 EVRM De rechtbank stelt vast dat de Encrochat-gegevens zijn verkregen na inzet van een interceptiemiddel op een server van Encrochat in Roubaix, Frankrijk. Toestemming voor gebruik van dit opsporingsmiddel is verleend door een Franse rechter, op een daartoe strekkende vordering van het Franse openbaar ministerie. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook sprake van opsporingsonderzoek dat onder verantwoordelijkheid van de Franse (rechterlijke) autoriteiten op Frans grondgebied heeft plaatsgevonden. Het arrest van het EHRM in de zaak Stojkovic, waarnaar de verdediging heeft verwezen, mist dan ook toepassing. Dit betekent dat de verweren die zien op de rechtmatigheid van de verkrijging van de gegevens afstuiten op het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Volgens bestendige jurisprudentie staat het niet ten toets van de Nederlandse strafrechter of in het recht van het desbetreffende land – in casu Frankrijk – al dan niet een toereikende wettelijke grondslag bestond voor de door de buitenlandse autoriteiten verrichte onderzoekshandelingen (Hoge Raad 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629). Het is niet de taak van de Nederlandse strafrechter om te controleren of de wijze waarop het Franse onderzoek is uitgevoerd strookt met de daarvoor in Frankrijk geldende rechtsregels, en evenmin om te controleren of de Franse rechter de gegeven toestemming heeft kunnen verlenen. Dat er voorafgaand aan de verkrijging van de Encrochat-gegevens en nadien sprake was van samenwerking tussen (onder andere) de Nederlandse en Franse opsporingsautoriteiten maakt dat niet anders. Het gaat erom dat de inzet van het interceptiemiddel onder Franse verantwoordelijkheid heeft plaatsgevonden: het is nog steeds de Franse rechter die, op aanvraag van het Franse openbaar ministerie, de rechtmatigheid van het gebruikte opsporingsmiddel heeft getoetst en goed bevonden. Dat betekent dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel onverkort van toepassing is. De stelling dat dit beginsel moet wijken, omdat er sprake is van forumshopping of misbruik van het Frans militair staatsgeheim, wordt verworpen reeds omdat een dergelijk handelen niet aannemelijk is geworden. Uit het dossier noch uit hetgeen de verdediging heeft aangevoerd blijkt van feiten en omstandigheden die tot een andersluidend oordeel nopen. Ook brengt toepassing van het vertrouwensbeginsel en de daarop gestoelde afwijzing van eerder en herhaald ingediende onderzoekswensen niet mee dat er in de onderhavige strafzaak geen sprake is van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze bepaling gaat niet zover dat de verdediging – teneinde het bewijs te kunnen toetsen en te bestrijden – kennis moet kunnen nemen van de stukken die betrekking hebben op het verkrijgen en de overdracht van de Encrochat gegevens, dat plaatsvond in het kader van een ander strafrechtelijk onderzoek dan het onderhavige (namelijk [naam]), of van de stukken die betrekking hebben op de aan de verkrijging voorafgaande samenwerking van de Nederlandse en Franse autoriteiten. Een andere uitleg zou het interstatelijk vertrouwensbeginsel immers van elke betekenis ontdoen. Bovendien geldt – zoals hierna bij de beoordeling van het bewijs wordt overwogen – dat de inhoud van de berichten op onderdelen overeenkomt en dus bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, hetgeen betekent dat het gebruik van de Encrochat-gegevens, bezien vanuit het oogpunt van the proceedings as a whole, geen schending van het recht op een eerlijk proces oplevert. Geen ongerechtvaardigde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer Ook verwerpt de rechtbank het verweer dat het verkrijgen van de Encrochat-gegevens strijdig is met artikel 8 EVRM en/of artikelen 7, 8 en 52 van het Handvest, omdat er – kort gezegd – door het ongericht vergaren, opslaan en onderzoeken van de gegevens sprake is van een ongerechtvaardigde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Wat betreft de verkrijging van de gegevens staat – opnieuw – het interstatelijk vertrouwensbeginsel in de weg aan een rechtmatigheidsoordeel door de Nederlandse rechter. Er moet van worden uitgegaan dat ook de Franse rechter bij het geven van toestemming voor de inzet van het interceptiemiddel heeft getoetst aan het toepasselijke Europese recht. Voor wat betreft het gebruik van de gegevens in het onderhavige onderzoek geldt dat die toets door de Nederlandse rechter-commissaris heeft plaatsgevonden, bij de afgifte van de machtigingen ex artikel 126uba Sv. Daarbij heeft de rechter-commissaris (steeds) een kader geformuleerd waarbinnen het onderzoek naar de gegevens moest plaatsvinden. Zo diende het onderzoek plaats te vinden op basis van reproduceerbare woordenlijsten of aan de hand van reeds onderkende georganiseerde (criminele) verbanden. Reeds die omstandigheid maakt dat er van ongedifferentieerd onderzoek geen sprake is geweest. Bovendien blijkt uit het dossier dat de versleutelde berichtenservice van Encrochat in overwegende mate werd gebruikt voor het voorbereiden en het plegen van ernstige, de rechtsorde verstorende vormen van (georganiseerde) criminaliteit, en dat de uitgewisselde berichten veelal betrekking hadden op strafbare feiten en niet of nauwelijks op het privéleven van de gebruikers. Dat betekent – en dat is ook de toets geweest die is voorafgegaan aan de afgifte van de machtigingen door de rechter-commissaris – dat de inbreuk op de privacy als relatief gering moet worden gezien. Nu die inbreuk verder bij wet is voorzien en noodzakelijk moet worden geacht in het belang van het voorkomen van strafbare feiten, is er geen sprake van een onrechtmatige inmenging van het openbaar gezag op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte in de zin van artikel 8 EVRM. Om die reden ook is er voldaan aan de voorwaarden die artikel 52 van het Handvest stelt en is er evenmin sprake van een ongerechtvaardigde inbreuk op de naar strekking en inhoud met artikel 8 vergelijkbare artikelen 7 en 8 van het Handvest. Geen prejudiciële vragen Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen ziet de rechtbank geen aanleiding om, zoals voorwaardelijk verzocht door de verdediging, prejudiciële vragen te stellen aan het Europese Hof van Justitie. De rechtbank heeft getoetst aan het Unierecht en de uitleg ervan roept geen vragen op die een antwoord van het Hof behoeven. Om die reden, en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over het kennisnemen van stukken die betrekking hebben op het verkrijgen van de Encrochat-gegevens en de daaraan voorafgaande samenwerking tussen Frankrijk en Nederland, wordt ook het voorwaardelijk verzoek (bij afwijzing van het voorafgaande voorwaardelijk verzoek) om het onderzoek te heropenen teneinde nadere stukken toe te voegen aan het dossier afgewezen. Conclusie Samengevat komt de rechtbank tot het oordeel dat het gevoerde verweer, strekkende tot bewijsuitsluiting of strafvermindering, in al zijn onderdelen faalt. De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van vormverzuimen en dat de Encrochat-gegevens kunnen worden gebruikt voor het bewijs. 4De bewijsbeslissing 4.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde, met dien verstande dat er voor feit 1 alleen wettig en overtuigend bewijs is voor de periode van 1 december 2019 tot en met 27 december 2019 en er voor feit 3 alleen wettig en overtuigend bewijs is voor de pleegplaats Hoogmade en de periode van 1 december 2019 tot en met 27 december 2019. 4.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft – overeenkomstig zijn pleitnota – integrale vrijspraak bepleit in verband met het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Op specifieke standpunten van de raadsman zal hierna – voor zover van belang – nader worden ingegaan. 4.3. Gebruikte bewijsmiddelen De rechtbank heeft hierna in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. 4.4. Bewijsoverwegingen Ten aanzien van feiten 1, 2 en 3 Op grond van de in de bijlage bij dit vonnis opgenomen bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het volgende oordeel ten aanzien van de onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten. Gelet op het verband tussen deze feiten zien de navolgende bewijsoverwegingen op alle drie de feiten. Op 27 december 2019 wordt in loodsen (nadien aangeduid als B7, B12 en B12a) op het [terrein] een inval gedaan. Daar worden de in de tenlastelegging opgenomen goederen aangetroffen, waaronder verdovende middelen zoals MDMA, amfetamine en methamfetamine (feit 1 en feit 2). Ook worden er de in de tenlastelegging onder feit 3 genoemde goederen, chemicaliën en grondstoffen aangetroffen (feit 3), met uitzondering van het niet ter plaatste aangetroffen BMK (benzylmethylketon). Deze stoffen kunnen, zoals het NFI concludeert, in verband worden gebracht met de productie van die verdovende middelen. De rechtbank is van oordeel dat in de loodsen daadwerkelijk amfetamine werd verwerkt (feit 1). Op maatbekers, een emmer, een kuip, een mengspatel, een specietroffel en een mengboormachine zijn immers restanten van een witte substantie aangetroffen die positief testte op de aanwezigheid van amfetamine. Ook is ter plaatse een diepvrieskist, een speciekuip en gereedschap aangetroffen met daarin en daarop restanten van poeder en kristalachtige brokken bevattende amfetamine-sulfaat. Ook de aanwezigheid van handschoenen en een mondmasker – gebruiksvoorwerpen waarvan algemeen bekend is dat zij bij de productie van drugs worden gebruikt – duidt op de productie van amfetamine en MDMA. De betrokkenheid van de verdachte blijkt onder meer uit het aantreffen van zijn DNA op handschoenen en het mondmasker. Daarbij komt dat op camerabeelden van het [terrein] is te zien dat een Mercedes GLC met het kenteken [kentekenplaat] die in gebruik is bij de verdachte, in de periode tussen 14 december 2019 en 27 december 2019 drie keer op het terrein is geweest. Verder heeft de verhuurder van de genoemde loodsen verklaard dat de huur werd betaald door (onder andere) de verdachte. Op grond van deze bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de verdachte amfetamine heeft verwerkt. Omdat er ter plaatse eveneens MDMA is aangetroffen is aannemelijk dat de amfetamine ook in dat kader is verwerkt (feit 1) De rechtbank komt ook tot het oordeel dat hij de onder feit 2 genoemde verdovende middelen en onder feit 3 genoemde stoffen in zijn machtssfeer en dus voorhanden heeft gehad. Dat hij er weet van had dat de onder feit 3 genoemde stoffen bestemd waren voor de productie van amfetamine en MDMA volgt wel uit de omstandigheid dat de verdachte deze verdovende middelen (zelf) heeft verwerkt. Dat de handschoenen en het mondmasker verplaatsbare objecten zijn en dat niet is waargenomen dat de verdachte de bestuurder van de genoemde auto was, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Het verband en de samenhang tussen de drie hiervoor genoemde bewijsmiddelen is daarvoor te sterk. De door de verdediging ter onderbouwing van zijn verweer aangehaalde uitspraken zijn niet vergelijkbaar, nu er in die zaken geen sprake was van meerdere, onderling samenhangende bewijsmiddelen. Dat er bij het plegen van deze feiten sprake was van nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een ander blijkt wel uit de omstandigheid dat er op een andere handschoen DNA van een andere verdachte is aangetroffen. Dit betreft [medeverdachte 1] , geboren [geboortedatum] 1975 , (hierna: [medeverdachte 1] ). Ook van [medeverdachte 1] – de zwager van de verdachte – is in de tenlastegelegde periode een auto die bij hem in gebruik was op het terrein gezien, terwijl de verhuurder van de loodsen heeft verklaard dat de verdachte en deze [medeverdachte 1] de huur betaalden Dit alles maakt dat er bij alle drie de feiten sprake is van medeplegen. Wat betreft de pleegperiode is de rechtbank van oordeel dat de verwerking van amfetamine en MDMA (feit 1), zoals ten laste gelegd, heeft plaatsgevonden op tijdstippen in de periode tussen 1 en 27 december 2019. De aard en hoeveelheid van de in de loodsen aangetroffen goederen duidt erop dat het productieproces al enige tijd gaande was. Ook de verklaring van de verhuurder dat de verdachte en [medeverdachte 1] ‘rond de tijd van de inval’ de huur betaalden en de aanwezigheid van de auto’s van de verdachte en [medeverdachte 1] op verschillende tijdstippen in december wijst op hun betrokkenheid bij het verwerken van drugs in die periode. De rechtbank gaat om die reden ook uit van dezelfde pleegperiode ten aanzien van feit 3. Van betrokkenheid van de verdachte bij de strafbare voorbereiding van de productie van drugs gepleegd in Nieuwegein is op grond van het dossier onvoldoende gebleken en met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de verdachte van dat deel van het onder feit 3 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 4 Op grond van de in de bijlage bij dit vonnis opgenomen bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het volgende oordeel ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit. Op 23 juni 2020 wordt er op de locatie [adres] een inval gedaan. Daar worden de bij de bewijsmiddelen opgenomen, en in de tenlastelegging genoemde, goederen aangetroffen. Het betreft een locatie die is ingericht en gebruikt voor de vervaardiging van BMK en methamfetamine en waar al meerdere batches zijn vervaardigd. Op het moment van de inval is de ventilatie in werking. Op de locatie in [plaats] wordt een handschoen aangetroffen met daarop het DNA van de verdachte. De betrokkenheid van de verdachte bij deze locatie blijkt naar het oordeel van de rechtbank bovendien uit de chats die zijn gevoerd tussen de persoon met de gebruikersnaam [username 1] @encrochat en [username 2] @encrochat. Deze laatste gebruikersnaam is in gebruik bij de verdachte, hetgeen blijkt uit de aard en inhoud van de berichten die hij met zijn vader en zijn partner uitwisselt, en uit de aanwezigheid van de telefoon waarvan [username 2] @encrochat gebruik maakte op het adres waar de verdachte geregeld verbleef ( [adres] . In de chats worden onder meer foto’s van de locatie in [plaats] verzonden, wordt er gesproken over materialen die nodig zijn voor de productie van synthetische drugs en over de daarvoor benodigde grondstoffen. In één geval stuurt de verdachte een chat met daarin de exacte hoeveelheden van verschillende grondstoffen zoals die op 23 juni 2020 ook in de loods in [plaats] zijn aangetroffen. Tenslotte straalt de telefoon van de verdachte op 15 april 2020 een zendmast aan op de [adres] te [plaats] , binnen welk dekkingsgebied de loods in [plaats] ligt. Op grond van deze bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de verdachte betrokken is geweest bij het vervaardigen van methamfetamine in de loods in [plaats] . Nu niet uit het dossier blijkt dat er ter plaatse ook amfetamine is aangetroffen, zal de verdachte van dat deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Wat betreft de pleegperiode is de rechtbank van oordeel dat de locatie op 23 juni 2020 in werking was als productielocatie van in ieder geval methamfetamine. Op grond van de aanwezige stoffen en onder meer de hoeveelheid aanwezig afval is de rechtbank van oordeel dat de locatie al enige tijd voor de vervaardiging van verdovende middelen in gebruik was. Gezien de inhoud van de chats is het gereedmaken van de locatie gestart begin april 2020. De rechtbank gaat om die reden ook uit van de pleegperiode zoals die is ten laste gelegd, van omstreeks 1 april 2020 tot en met 23 juni 2020. Dat er bij het plegen van deze feiten sprake was van nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een ander blijkt uit de inhoud van de chats tussen [username 2] en [username 1] . Samen bespreken zij wat er nog gedaan en gekocht moet worden om de locatie gereed te maken en wie dat gaat doen. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de twee en ook van een eigen intellectuele en materiële bijdrage van de verdachte. Dat deze samenwerking zo minimaal was dat niet van medeplegen in juridische zin kan worden gesproken is in het licht van de bewijsmiddelen niet aannemelijk: het gaat immers om het samen vinden en in overleg gebruiksklaar maken en inrichten van een productielocatie voor drugs, waaraan de verdachte een actieve bijdrage heeft geleverd. Dit maakt dat er bij feit 4 sprake is van medeplegen. De verdediging heeft voorwaardelijk verzocht om de gebruiker van het account [username 1] @encrochat als getuige op te roepen. Dit verzoek is op 29 april 2022 al door de rechtbank afgewezen. Ook nu wijst de rechtbank het verzoek af. Het noodzakelijkheidscriterium is van toepassing op dit verzoek. Het antwoord op de vraag wie de gebruiker van dit account is en wat de exacte rolverdeling tussen de verdachte en [username 2] is in het licht van de bewijsmiddelen in samenhang bezien, niet noodzakelijk voor de beoordeling van hetgeen de verdachte ten laste is gelegd. 4.5. De bewezenverklaring De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: 1. hij op tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2019 tot en met 27 december 2019 te Hoogmade, gemeente Kaag en Braassem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verwerkt, (telkens) een (grote) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine en MDMA, zijnde amfetamine en MDMA, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, 2. hij op of omstreeks 27 december 2019 te Hoogmade, gemeente Kaag en Braassem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad: - ongeveer 0,025 kilogram en/of 55,5 liter, althans een hoeveelheid, van een materiaal bevattende amfetamine en/of - ongeveer 34,7 kilogram en/of 96 liter, althans een hoeveelheid, van een materiaal bevattende MDMA en/of - ongeveer 0,18 kilogram en/of 142 liter, althans een hoeveelheid, van een materiaal bevattende methamfetamine, zijnde amfetamine en/of MDMA en/of methamfetamine, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet 3. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2019 tot en met 27 december 2019, te Hoogmade, gemeente Kaag en Braassem en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, en/of vervaardigen van amfetamine en/of methamfetamine, zijnde amfetamine en/of methamfetamine, (telkens) (een) middel(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.