RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL22.12653 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam], eiser V-nummer: [Nummer] (gemachtigde: mr. T. Thissen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel). Procesverloop Bij besluit van 30 juni 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vwopgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Partijen hebben toestemming verleend het beroep schriftelijk te behandelen. De rechtbank heeft het onderzoek op 15 juli 2022 gesloten. Overwegingen
- Eiser stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en van Marokkaanse nationaliteit te zijn.
- Eiser voert aan dat de grondslag voor de staandehouding onjuist dan wel niet rechtmatig is. Aangezien hij een Dublinclaimant is, kan er geen sprake zijn van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Vw.
- De rechtbank oordeelt als volgt. Niet in geschil is dat eiser op 18 augustus 2021 met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken. Op grond van artikel 62c, vierde lid, van de Vw eindigt het rechtmatig verblijf van een Dublinclaimant van rechtswege wanneer hij MOB vertrekt. Het eenmaal geëindigd rechtmatig verblijf herleeft niet indien een vreemdeling zich opnieuw meldt bij een asielzoekerscentrum en daar opvang krijgt. Aangezien eiser dus geen rechtmatig verblijf had als Dublinclaimant op het moment van staandehouding was artikel 50 van de Vw de juiste grondslag. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
- In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
- De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die verweerder aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd, niet heeft betwist. Deze gronden zijn voldoende om aan te nemen dat een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en kunnen de maatregel daarom dragen.
- Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. N.H. de Zeeuw, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Vreemdelingenwet
- Zie uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 11 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1164.