Rechtbank DEN HAAG Zittingsplaats ’s-Gravenhage CB/c Zaaknr.: 9697644 RP VERZ 22-50069 Uitspraakdatum: 3 mei 2022 Beschikking van de kantonrechter in de zaak van: [verzoekster] , wonende te [woonplaats] , verzoekende partij, verder te noemen: verzoekster, gemachtigde: mr. R.D. Ramnath (FNV Individuele Belangenbehartiging), tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Vis Bouwservice B.V., gevestigde en kantoorhoudende te Wateringen, verwerende partij, verder te noemen: werkgever, gemachtigde: mr. J.J. Splinter (SPLNTR). 1Het procesverloop 1.1. Verzoekster heeft de kantonrechter bij verzoekschrift met 15 producties (nrs. 1 tot en met 15), bij de griffie ingekomen op 18 februari 2022, verzocht – kort gezegd – werkgever te veroordelen de transitievergoeding en (een deel van) de overlijdensvergoeding op grond van de CAO uit te betalen. 1.2. Op 11 april 2022 is bij de griffie een verweerschrift met twee producties (nrs. 1 en 2) binnengekomen. 1.3. De mondelinge behandeling van het verzoekschrift is gehouden op 19 april 2022. Daarbij is verzoekster in persoon verschenen samen met haar gemachtigde en is namens werkgever [naam] verschenen alsmede de gemachtigde van werkgever. De griffier heeft van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken zakelijke aantekeningen gemaakt. 1.4. Na de mondelinge behandeling is de beslissing op het verzoekschrift bepaald op heden. 2De feiten 2.1. Verzoekster is de weduwe van [naam werknemer] (hierna: werknemer). 2.2. Werknemer was vanaf 25 augustus 1982 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd werkzaam voor werkgever en diens rechtsvoorgangers, laatstelijk in de functie van monteur op basis van een arbeidsomvang van 40 uur per week. Het laatst verdiende salaris van werkgever bedroeg € 3.106,62 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten. 2.3. Op de arbeidsovereenkomst van werknemer was de CAO voor Bouw & Infra (hierna: de CAO) van toepassing. 2.4. Artikel 1.6.5 van de CAO luidt: Bij overlijden van de werknemer betaalt de werkgever de gezamenlijks nagelaten betrekkingen van de werknemer een eenmalige overlijdensuitkering. Die is gelijk aan het vast overeengekomen loon of het salaris van de werknemer over de periode van de dag van overlijden tot het eind van die maand en de twee maanden daarna. Dit is afwijking van artikel 7:674 BW. 2.5. Werknemer was op 27 november 2019 arbeidsongeschikt geworden. Per 20 februari 2021 heeft het UWV aan werknemer een vervroegde IVA-uitkering toegekend. 2.6. Op 31 oktober 2021 heeft werkgever aan werknemer een brief gestuurd met (onder meer) de volgende inhoud: Op 27 november 2021 zullen wij het dienstverband met jou beëindigen omdat je dan twee jaar ziek bent. 2.7. Op 19 november 2021 is werknemer overleden. 2.8. Het UWV heeft een bedrag van € 2.434,92 netto aan overlijdensuitkering betaald, werkgever heeft een bedrag van € 4.475,42 netto aan overlijdensuitkering aan verzoekster betaald. 3Het verzoek van verzoekster en het verweer van werkgever 3.1. Verzoekster verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, werkgever [te veroordelen] tot betaling binnen vijf werkdagen na de datum van de te wijzen beschikking aan verzoekster van: (A.) de transitievergoeding van € 43.902,75 bruto, onder verstrekking van een deugdelijke specificatie bruto/netto; (B.) de achterstallige overlijdensuitkering van € 3.465,10 netto, onder verstrekking van een deugdelijke (bruto/netto) specificatie; (C.) de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW ad 50% over het onder B gevorderde bedrag; (D.) een bedrag van€ 1.214,03 (exclusief BTW) over het gevorderde bedrag onder A ter zake van buitengerechtelijke incassokosten; (E.) een bedrag van € 471.51 (exclusief BTW) over het gevorderde bedrag onder B ter zake van buitengerechtelijke incassokosten; (F.) de wettelijke rente over alle voornoemde gevorderde bedragen vanaf de dag dat die bedragen zijn verschuldigd; (G.) de kosten van het geding, nakosten, het salaris van de gemachtigde van verzoekster en het griffierecht daaronder begrepen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van de te wijzen beschikking. 3.2. Aan het verzoek legt werkgever – kort gezegd – ten grondslag dat als gevolg van de opzegging van de arbeidsovereenkomst met werknemer de transitievergoeding verschuldigd is geworden en dat op grond van de toepasselijke CAO verzoekster recht heeft op betaling van de volledige overlijdensuitkering zonder aftrek van hetgeen het UWV reeds ter zake van het overlijden van werknemer heeft uitgekeerd. 3.3. Werkgever verweert zich tegen het verzoek tot betaling van de transitievergoeding door te stellen dat van een opzegging van de arbeidsovereenkomst (nog) geen sprake was en dat eerder was overeengekomen dat de transitievergoeding alleen betaald zou worden indien werkgever deze door het UWV aan haar vergoed zou worden. Met betrekking tot de overlijdensuitkering stelt werkgever zich op het standpunt dat de overlijdensuitkering die verzoekster van het UWV heeft ontvangen in mindering mag strekken op de overlijdensuitkering op grond van de CAO. 4De beoordeling 4.1. Verzoekster verzoekt, naast een deel van de overlijdensuitkering, veroordeling tot betaling van de transitievergoeding als gevolg van de opzegging van de arbeidsovereenkomst door werkgever. Uit artikel 7:673 lid 1 onder a ten 1° BW volgt dat de werkgever [..] aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd [is] indien de arbeidsovereenkomst door de werkgever is opgezegd. Daarmee is niet het beëindigen van de arbeidsovereenkomst de bepalende gebeurtenis, maar de opzegging daarvan. 4.2. Ten aanzien van de opzegging van de arbeidsovereenkomst beroept verzoekster zich op de brief van werkgever van 31 oktober 2021, die zij aanmerkt als een opzegging van de arbeidsovereenkomst. Dat vervolgens niet een einde aan de arbeidsovereenkomst is gekomen als gevolg van deze opzegging, maar door het (eerdere) overlijden van werknemer, doet er niet aan af, dat de werkgever voorafgaand aan het overlijden de arbeidsovereenkomst had opgezegd, waardoor de verplichting tot betaling van de transitievergoeding desondanks is ontstaan. 4.3. Volgens de werkgever is de brief van 31 oktober 2021 niet aan te merken als een opzegging van de arbeidsovereenkomst, maar slechts als een aankondiging voor een beëindiging van de arbeidsovereenkomst na verloop van 104 weken ziekte. Over dit scenario hadden werknemer en werkgever al geruime tijd gesproken. 4.4. Uit hetgeen werkgever op dit punt stelt en overigens ook uit de e-mail van werkgever van 1 december 2020 aan werknemer (productie 1 bij verweerschrift) blijkt dat het steeds de intentie van werkgever was dat het dienstverband zou eindigen op 26 november 2021, precies op de dag dat werknemer 104 weken arbeidsongeschikt zou zijn. In de e-mail van 1 december 2020 staat dat ook met zoveel woorden: Het dienstverband zou dan eindigen op 26 november omdat je dan 104 weken ziek bent. 4.5. Tijdens arbeidsongeschiktheid duurt een arbeidsovereenkomst ongewijzigd voort, zij het uiteraard dat een werknemer geen arbeid kan verrichten en dat een werknemer geen loon ontvangt, maar ziekengeld, al dan niet aangevuld door het UWV. Uit artikel 7:667 lid 6 BW volgt dat voor de beëindiging van een voor onbepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomst [..] de voorafgaande opzegging nodig [is]. 4.6. De stelling van werkgever dat de brief van 31 oktober 2021 slechts is aan te merken als een aankondiging dat de arbeidsovereenkomst na 104 weken ziekte zou eindigen strookt dan ook niet met artikel 7:667 lid 6 BW. Uit het voorgaande blijkt dat het de bedoeling van werkgever was dat de arbeidsovereenkomst met werknemer op 26 november 2021 zou eindigen en in dat licht was de brief van 31 oktober 2021 naar het oordeel van de kantonrechter wel degelijk aan te merken als een opzegging van de arbeidsovereenkomst tegen 26 november 2021. In ieder geval moet ook tijdens arbeidsongeschiktheid de opzegtermijn in acht worden genomen en waar wellicht een opzegtermijn van vier weken al (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.