RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.10683 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. J. Visscher). Procesverloop Bij besluit van 7 juni 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL22.10684, op 7 juli 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. M.S. Yap, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Fayez. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
- Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Syrische nationaliteit te hebben. Op 3 december 2021 heeft hij een asielaanvraag ingediend.
- Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen als op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van die aanvraag. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 15 januari 2021 in Roemenië een asielaanvraag heeft ingediend. Op grond van 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening is Roemenië verantwoordelijk voor de asielaanvraag. Nederland heeft op grond hiervan een verzoek om terugname gedaan. Op 10 februari 2022 heeft Roemenië het verzoek aanvaard, waarmee de verantwoordelijkheid van Roemenië op grond van artikel 25, eerste lid, van de Dublinverordening vaststaat.
- Eiser voert aan dat ten aanzien van Roemenië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder had de aanvraag aan zich moeten trekken, omdat de Roemeense autoriteiten hebben aangekondigd alle inkomende Dublinoverdrachten op te schorten in verband met grote instroom van vluchtelingen door de oorlog in Oekraïne. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiser naar de Kamerbrief van 17 maart
- De rechtbank oordeelt als volgt.
- Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd uiteengezet dat uit het claimakkoord van 10 februari 2022 volgt dat de Roemeense autoriteiten de asielaanvraag van eiser zullen behandelen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Verweerder mag er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel vanuit gaan dat Roemenië haar internationale verplichtingen nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Eiser heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. De verwijzing naar de Kamerbrief van 17 maart 2022 is hiervoor onvoldoende. Daarbij volgt uit deze Kamerbrief dat Roemenië heeft aangekondigd Dublinoverdrachten op te schorten en niet dat Roemenië claimverzoeken weigert. Verder staat in deze Kamerbrief dat urgente zaken wel nog door de Dienst Terugkeer en Vertrek kunnen worden voorgelegd voor overdracht aan Roemenië. Van een urgente zaak is volgens deze Kamerbrief onder meer sprake als het gaat om een overdracht vanuit bewaring of om een overdracht met een korte uiterste resterende overdrachtstermijn. Deze omstandigheden duiden op een tijdelijkheid en laten zien dat Roemenië uiteindelijk de verantwoordelijke lidstaat meent te zijn die de asielaanvraag moet beoordelen. Voor zover eiser stelt dat hij door deze omstandigheden in een onzekere rechtspositie zal verkeren, is met de bindende overdrachtstermijnen in artikel 29, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening gewaarborgd dat onzekerheid over overdracht van een vreemdeling van beperkte duur is. Tot slot heeft verweerder in het bestreden besluit en op zitting aangegeven dat bij een overschrijding van de overdrachtstermijn de behandeling van eisers asielaanvraag alsnog inhoudelijk zal worden behandeld. Dat eiser Syrisch is en zijn asielaanvraag toch zal leiden tot toewijzing, zal dan moeten worden beoordeeld. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de door eiser aangevoerde (persoonlijke) omstandigheden geen bijzondere individuele omstandigheden zijn die maken dat overdracht van eiser aan Roemenië van onevenredige hardheid getuigt en verweerder aanleiding had moeten zien om de asielaanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.
- Verweerder heeft gelet op het voorgaande eisers asielaanvraag terecht niet in behandeling genomen.
- Het beroep is ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Verordening (EU) nr. 604/
- Kamerstuk II 2021-2022, 19637, nr. 2834 van 17 maart
- ABRvS 31 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1520.