RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.12935 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam], eiser V-nummer: [Nummer] (gemachtigde: mr. N. Vollebergh), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. R. Hopman). Procesverloop Bij besluit van 7 juli 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Op 14 juli 2022 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 18 juli 2022 een verweerschrift ingediend. Op 18 juli 2022 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Overwegingen
- Eiser stelt op [Geb. datum] 1987 te zijn geboren en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
- Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring niet is ondertekend en hiermee niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat de maatregel digitaal is ondertekend. Voor zover eiser de geldigheid van deze digitale handtekening betwist nu deze is ondertekend door een collega van de opsteller van het proces-verbaal, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het dossier blijkt dat verweerder ook een exemplaar van de maatregel met een natte handtekening aan eiser heeft uitgereikt. Hiermee is de maatregel conform de eisen van artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit rechtmatig tot stand gekomen. De beroepsgrond slaagt niet.
- Eiser heeft de gronden die ten grondslag liggen aan de maatregel van bewaring niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze gronden van bewaring – in onderlinge samenhang bezien – voldoende om aan te nemen dat een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring daarom dragen.
- Eiser heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over de vraag of een minder verstrekkend middel had moeten worden toegepast en of verweerder voortvarender had moeten handelen. De rechtbank is niet van oordeel dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen en evenmin dat verweerder niet voortvarend genoeg heeft gehandeld.
- Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.