vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/595615 / HA ZA 20-652 Vonnis in incident van 17 augustus 2022 in de zaak van 1. de rechtspersoon naar vreemd recht ZELIG MAPPA FARMERS LTD, te Kadima, Israël, 2. de rechtspersoon naar vreemd recht FLOWERS R. MORDEHAI LTD, te Moshav Olesh, Israël, 3. de rechtspersoon naar vreemd recht MESHEK MORDEHAI LTD, gevestigd te Moshav Olesh, Israël, eiseressen in de hoofdzaak, eiseressen in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening, eiseressen in het incident tot oproeping van een derde ex artikel 118 Rv, verweersters in het schorsingsincident, verweersters in het incident bevel verstrekking inlichtingen ex artikel 22 Rv, advocaat mr. R.M. van der Velden te Amsterdam, tegen 1KOLSTER B.V., te Boskoop, 2. de rechtspersoon naar vreemd recht BEAUTY LINE LTD, te Nairobi, Kenia, 3. de rechtspersoon naar vreemd recht DANZIGER ''DAN'' FLOWER FARM, te Mishmar HaShiv'a, Israël, gedaagden in de hoofdzaak, verweersters in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening, verweersters in het incident tot oproeping van een derde ex artikel 118 Rv, eiseressen in het schorsingsincident, eiseressen in het incident bevel verstrekking inlichtingen ex artikel 22 Rv, advocaat mr. T.F.W. Overdijk te Amsterdam. Partijen zullen hierna Mappa c.s. (vrouwelijk enkelvoud) en Kolster c.s. (vrouwelijk enkelvoud) genoemd worden. Eiseressen zullen afzonderlijk Zelig Mappa, Flowers en Meshek Mordehai genoemd worden en gedaagden afzonderlijk Kolster, Beauty Line en Danziger. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 3 april 2020, tevens houdende de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening; - de akte houdende overlegging producties van Mappa c.s., , met producties EP01 tot en met EP09; - de conclusie van antwoord, tevens incidentele vordering tot schorsing ex artikel 106 GKVo, tevens houdende verzoek tot het geven van een bevel tot verstrekking van inlichtingen ex artikel 22 Rv van Kolster c.s., met productie GP01 tot en met GP14; - de conclusie van antwoord in het schorsingsincident ex artikel 106 GKVo, tevens houdende incidenteel verzoek om toestemming voor het oproepen van een derde ex artikel 118 Rv van Mappa c.s., met productie EP10; - de nadere akte, tevens wijziging van eis in het incident tot schorsing ex artikel 106 GKVo, tevens conclusie van antwoord in het incident ex artikel 118 Rv van Kolster c.s.; - de nadere akte in het schorsingsincident ex artikel 106 GKVo van Mappa c.s., met productie EP11 tot en met EP14; - de akte uitlating producties in het incident tot schorsing ex artikel 106 GKVo, alsmede akte uitlating bezwaar en productie in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening van Kolster c.s., met productie GP16 tot en met GP18; - het proces-verbaal van de digitale mondelinge behandeling via MCU-verbinding op 1 juni 2021 en de daarin genoemde gedingstukken; - de akte vermeerdering eis ex artikel 22 Rv, van Kolster c.s.; - de akte houdende reactie op verzoek ex artikel 22 Rv, tevens reactie eisvermeerdering van Mappa c.s., met productie EP19 en EP20. 1.2. Vonnis in de incidenten is nader bepaald op heden. 2De feiten 2.1. Zelig Mappa is een bedrijf van de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] dat al meer dan 40 jaar actief is in de landbouwsector. 2.2. Zelig Mappa is houdster van het communautaire kwekersrecht voor het plantenras OFARIM van de soort Lepidium ruderale L. (hierna: het Kwekersrecht). Het verleningsonderzoek is verricht door de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw (hierna: Naktuinbouw). Het Kwekersrecht is op 5 mei 2008 verleend aan [naam 2] en ingeschreven onder nummer 22240. Op 15 oktober 2018 is het Kwekersrecht overgedragen aan Zelig Mappa. Sinds 1 juni 2004 worden de planten van het ras OFARIM onder meer op de Europese markt, waaronder Nederland, verkocht onder de commerciële naam Green Bell. 2.3. Flowers en Meshek Mordehai zijn exclusieve licentienemers onder het Kwekersrecht. 2.4. Danziger is een sierteeltbedrijf dat zich bezighoudt met onderzoek, veredeling, ontwikkeling, vermeerdering, productie, verkoop en marketing van diverse bloemen- en plantenrassen. Dit bedrijf staat aan het hoofd van het Danziger concern. 2.5. Kolster is een sierteeltbedrijf, dat gespecialiseerd is in de veredeling en de teelt van snijheesters. Zij verkoopt onder andere zaden en zaailingen. Kolster is distributeur van Danziger in Nederland, Duitsland, Zwitserland en Engeland. 2.6. Beauty Line is een Keniaans landbouwbedrijf dat zich richt op veredeling, productie en verkoop van onder andere bloemen en planten. Zij is een dochteronderneming van Danziger. Beauty Line vermeerdert onder andere Lepidiumplanten die worden verkocht onder de commerciële namen Green Dragon en Emerald Beads. 2.7. Op 26 februari 2014 heeft (de advocaat van) [naam 2] een sommatiebrief gestuurd aan Danziger waarin is opgenomen dat Danziger inbreuk maakt op het Kwekersrecht. 2.8. Op 11 maart 2014 heeft (de advocaat van) Danziger gereageerd en de inbreuk op het Kwekersrecht betwist. 2.9. Danziger heeft op 13 maart 2014 een aanvraag ingediend bij het CPVO voor een communautair kwekersrecht voor het Lepidiumras Dlepembead (commerciële naam: Emerald Beads). Na opplanting bij Naktuinbouw voor het verleningsonderzoek is het ras niet uniform bevonden. Op 7 maart 2016 is de aanvraag door het CPVO geweigerd. 2.10. Vanaf begin 2018 is Green Dragon verkocht. 2.11. Kolster heeft zaailingen van Green Dragon aan plantentelers verkocht. 2.12. Op 29 maart 2018 heeft (de advocaat van) Mappa c.s. een sommatiebrief gestuurd aan Beauty Line waarin – onder meer – het volgende is opgenomen: (…) As you may be aware, Mappa is inter alia active in the field of flower breeding. In that capacity, Mappa is the owner of the Community Plant Variety Right "Ofarim", registered with the Community Plant Variety Office under title number 22240 (the "PVR"). The PVR was granted on 5 May 2008. R.Mordechai Flowers Ltd. & Meshek Mordechai Gadi Ltd are the exclusive licensees of the PVR (the "Exclusive Licensees"). It recently came to the attention of Mappa that your company is offering for sale and delivering the below referenced flowers within the European Union, including in The Netherlands: (the "Infringing Flowers") More detailed Images of the Infringing Flowers are enclosed as Enclosure 1. The Infringing Flowers consist of variety constituents and/or harvested materials that fall under the scope of the protected PVR. Mappa did not authorise your company to use its variety constituents and/or harvested materials. By offering for sale, selling, marketing and importing the Infringing Flowers into the European Union, your company therefore infringes Mappa's Plant Variety Rights pursuant to Article 13 of the Council Regulation (EC) No 2100/94 of 27 July 1994 on Community plant variety rights (the "Regulation"). Moreover, your company acts unlawful against the Exclusive Licensees. In view of the above, Mappa has valid legal grounds to request a Court to order your company to cease and desist the unauthorised use of its variety constituents and/or harvested materials, under forfeiture of a penalty. However, Mappa is willing to provide your company with the possibility to settle this matter amicably. To that end, I urgently request your company to unambiguously confirm to me in writing, by returning a duly signed copy of this letter (Enclosure 2), that it will: 1. immediately cease and desist the infringement of Mappa's PVR, including, but not limited to, the offering for sale, selling, marketing and importing into the European Union the Infringing Flowers; 2. reimburse Mappa for the legal costs it has incurred thusfar, by transferring an amount of EUR 2,500,= to the third party's account of Hogan Lovells International LLP, with reference to (…) I look forward to receiving the requested information as soon as possible and ultimately by Friday 13 April 2018. Please note that, should I not have received a satisfying response before the stipulated deadline, I will advise Mappa to take further legal action against your company, without further notice. Mappa trusts that this will not be necessary, and that your company is willing to settle this matter amicably, along the lines as per above. 2.13. Danziger heeft op 29 april 2018 bij brief gereageerd op de sommatie waarin – onder meer – is gemeld: (…) 1. Your letter of March 29, 2018 has been accepted in Beauty Line Ltd on April 22, 2018. Since Danziger is breeder and IP Holder of the plant material grown in Beauty Line Ltd, they sent Danziger the contents of the letter for their reaction. 2. Danziger, founded in 1953, has been breeding various floriculture crops for many years. Danziger invest enormous funds in research and development, and therefor protects it IP, and highly respect the IP of others. 3. Danziger breed, among many others, also the Lepidium crop, and already have several Lepidium varieties of different botanical species. 4. Danziger, and hence, Beauty Line Ltd have never commercialize “Ofarim” and therefor didn’t infringe any of Mappa or Mordechai’s rights. 5. Your allegations are not accurate. Lepidium varieties sold by Danziger and/or Beauty Line Ltd are all products of Danziger’s independent breeding. Danziger’s Lepidium varieties are New and Distinct from “Ofarim” and do not fall within the scope of protection of “Ofarim”’s PBR. 2.14. Op 6 februari 2019 heeft Mappa c.s. Naktuinbouw de opdracht gegeven om te starten met een onderzoek naar OFARIM planten en Green Dragon planten. Het rapport van Naktuinbouw naar aanleiding van dit onderzoek (hierna: het VT-rapport) dateert van 18 maart 2020. In het VT-rapport is – onder meer – opgenomen (sic): (…) 2. MATERIAL (…) On February 1st, plants labeled as ‘OFARIM’ and originating from Mordehai were bought from the auction. In addition, plants labeled as ‘GREEN DRAGON - Beautiline’ originating from Kenya were bought from Floris International. The boxes with the plant material and original documentation was brought to Naktuinbouw on February 6. All documents of the purchases are shown in Annex 1. The sealed packages of the auction material were opened in the meeting room. The plants were inspected, photographed and seeds were harvested by Zelig Mappa, witnessed by all other persons present in the room. Seeds were collected in backs which were coded ‘Variety A’ and ‘Variety B’ by Naktuinbouw. For the analysis there is no need to know which is the true-to-type sample and which the alleged infringing sample. Also leaf samples were taken from the delivered plants. The seeds were subsequently registered, dried and stored at Naktuinbouw. Photographs of the seed sampling are shown in Annex 2. On April 10, 2019, Naktuinbouw received an additional Lepidium sample provided by the titleholder and labeled ‘GREEN BELL’. In addition to the plant material from the auction and provided by the titleholder, Naktuinbouw used plant material / seeds from the market as a reference. These samples were provided under code. Naktuinbouw also used the OFARIM identity sample (referred to as Identity sample LPD 2, EU 2004-1415; (15ZCB 2238)). This concerns sample material on the basis of which the Plant Breeder's Right was granted in 2008 and which has been stored by Naktuinbouw ever since. All samples that are used in this study are described in Table 1 and 2. (…) 3MORPHOLOGICAL EXAMINATION Two separate growing tests were performed. The first trial was sown on May 2, 2019, the second test was sown on May 28, 2019. The plant material was grown according to the Naktuinbouw Growing Instruction Lepidium version 1. Morphological observations were made according Naktuinbouw Simplified Protocol NL/NPL/1 (date of preparation of TP: 1/08/2015). Morphological observations were made during the trial, by Mr. W.A. Wietsma, and Mr. G. van de Wardt. The final observations were made for the first trial on July 10, 2019 and for the second trial on August 6, 2019. (…) Observations of the morphological research In both tests, a difference in plant size was observed between the identity sample ‘OFARIM’ (19 101) and the sample of ‘OFARIM’ provided by Zelig Mappa (19 102). According to Zelig Mappa, the seeds were treated to germinate better for Israelian growing conditions. It was decided to compare identity sample ‘OFARIM’ (19 101) only with Variety A (19 103) and Variety B (19 104). In both tests, no differences were observed between the identity sample (19 101) ‘OFARIM’ and variety A (19 103). In both tests, no differences were observed between the identity sample (19 101) ‘OFARIM’ and Variety B (19 104). In both tests, no differences are observed between the plants of variety A (19 103) and Variety B (19 104). Photos of the plants are shown in Photo 1-8. (…) 4. DNA ANALYSE 4.1 Sample selection, experimental set-up, DNA extraction and generation of an AFLP® marker data set As described in chapter 2 in total seven plant samples were analyzed. Per plant sample several individual plants were sampled (see Table 2). Material from 132 plants were freeze-dried and subsequently DNA was extracted using the standard Naktuinbouw CTAB DNA isolation protocol. DNA quality was checked on an agarose gel and DNA quantity was determined. All 132 samples were genotyped as described below. (…) 4.4. Observations genetic conformity study In total 771 clearly visible DNA fragments were observed resulting from 8 independent AFLP profiles using 8 different primer combinations. From these 771 DNA fragments, 224 appeared to be polymorphic in this dataset. All samples representing Variety A, Variety B, OFARIM original identity sample (2004/1415), OFARIM new sample send in by the titleholder cluster together in one cluster. From this observation we can conclude that these samples can not be distinguished based on the AFLP analysis performed with the described conditions. Some genetic diversity can be observed within the OFARIM-VarA-VarB cluster. However, this falls within the diversity observed comparing duplo samples which is indicative for the technical error-rate (noise). As duplo samples in theory should reveal identical profiles as they represent the same biological sample, observed diversity is caused by technological deficiency (technical error-rate). In this study the maximum number of polymorphic markers between duplo samples is 4. All samples from reference varieties are clearly distinct from each other and from the OFARIM-VarA-VarB cluster based on the AFLP profiles and the conditions used in this study. The minimal number of markers between the genetically closest related reference variety (reference X) compared to the OFARIM-VarA-VarB cluster is 9. It is unlikely that mutants can be discriminated with the AFLP analyses described in this project. 4.5 Conclusion genetic conformity study Based on the 224 polymorphic AFLP markers observed in this analysis the various samples of Variety A and Variety B can not be genetically distinguished from the various samples that represent the true-to-type OFARIM variety. (…) 2.15. Danziger heeft op 12 maart 2019 een aanvraag ingediend bij het CPVO voor een communautair kwekersrecht voor het ras Dlepvergi (commerciële naam: Green Dragon). Naktuinbouw heeft Dlepvergi opgeplant en heeft na onderzoek aan Danziger gemeld dat dit ras niet uniform is bevonden. Danziger heeft vervolgens de aanvraag op 7 juli 2020 ingetrokken. 2.16. Op 12 oktober 2020 heeft (de advocaat van) Danziger een verzoek tot nietigverklaring van het Kwekersrecht ingesteld bij het CPVO. 3Het geschil in de hoofdzaak 3.1. Mappa c.s. vordert – samengevat – een inbreukverbod in de Europese Unie op het Kwekersrecht, met nevenvorderingen (opgave, rectificatie en schadevergoeding) en dwangsom, inclusief een volledige proceskostenveroordeling. 3.2. Ter onderbouwing van haar (neven)vorderingen stelt Mappa c.s. – verkort weergegeven – dat Kolster c.s. met de vermeerdering en verkoop van Lepidiumplanten onder de commerciële naam Green Dragon onder andere in Nederland, inbreuk maakt op het Kwekersrecht. 3.3. Kolster c.s. voert verweer. 4De beoordeling in de hoofdzaak 4.1. Deze rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de vorderingen van Mappa c.s. in de hoofdzaak op grond van de artikelen 101 lid 2 onder a, artikel 101 lid 1 GKVo jo artikelen 6 en 24 Lugano II, een en ander in combinatie met artikel 78 lid 2 sub a ZPW. Dat betekent dat de rechtbank tevens bevoegd is kennis te nemen van de incidentele vorderingen, waaronder het treffen van voorlopige maatregelen ex artikel 101 lid 1 GKVo jo artikel 31 Lugano II. 5Het geschil in het schorsingsincident 5.1. Kolster c.s. vordert – na wijziging van eis – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, de procedure in de hoofdzaak zal schorsen, primair totdat onherroepelijk is beslist in de door Kolster c.s. bij het CPVO aanhangig gemaakte procedure, subsidiair totdat het CPVO heeft beslist in de door Kolster c.s. bij het CPVO aanhangig gemaakte procedure, en daarbij de beslissing omtrent de kosten van het incident aan zal houden tot een beslissing hierover in de hoofdzaak. 5.2. Aan haar vordering legt Kolster c.s. ten grondslag – samengevat – dat de hoofdzaak op basis van artikel 106 lid 2 GKVo moet worden geschorst, nu door Kolster c.s. een verzoek is ingediend tot nietig- c.q. vervallenverklaring van het Kwekersrecht bij het CPVO. 5.3. Mappa c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 6De beoordeling in het schorsingsincident 6.1. De rechtbank stelt voorop dat de nationale rechter bij wie een vordering betreffende een communautair kwekersrecht is ingesteld op grond van artikel 105 GKVo ervan uit moet gaan dat dit kwekersrecht rechtsgeldig is. Wanneer die vordering betrekking heeft op een communautair kwekersrecht ten aanzien waarvan een procedure tot nietig- of vervallenverklaring voor het CPVO is ingeleid, kan de nationale rechter de procedure op basis van artikel 106 lid 2 GKVo echter schorsen indien de beslissing afhangt van de vraag of het communautaire kwekersrecht geldig is. Artikel 106 GKVo luidt in de Nederlandse taal als volgt: Artikel 106 Schorsing van de procedure 1. Wanneer een vordering op grond van artikel 98, lid 4, is ingesteld, kan, indien de beslissing afhangt van de vraag of het ras overeenkomstig artikel 6 voor bescherming in aanmerking komt, die beslissing eerst worden genomen nadat het Bureau over de aanvraag om een communautair kwekersrecht heeft beslist. 2. Wanneer de vordering betrekking heeft op een verleend communautair kwekersrecht ten aanzien waarvan op grond van artikel 20 of artikel 21 een procedure tot nietigverklaring of tot vervallenverklaring is ingeleid, kan, indien de beslissing afhangt van de vraag of het communautaire kwekersrecht geldig is, de procedure worden geschorst. 6.2. Daarbij verwerpt de rechtbank het verweer van Mappa c.s. dat artikel 106 lid 2 GKVo bedoelt terug te verwijzen naar artikel 106 lid 1 GKVo, zodat voor schorsing op basis van lid 2 – naast een ingeleide procedure voor het CPVO – ook sprake zou moeten zijn van een opeisingsvordering in de zin van artikel 98 GKVo. Mappa c.s. baseert deze lezing van artikel 106 lid 2 GKVo op de Nederlandse vertaling van leden 1 en 2 waarin het volgende is opgenomen. Lid 1: “Wanneer een (cursivering rechtbank) vordering op grond van artikel 98 lid 4, is ingesteld (…)”. Lid 2: “Wanneer de (cursivering rechtbank) vordering betrekking heeft op een verleend communautair kwekersrecht (…)”. Omdat in lid 2 “de” vordering is opgenomen, verwijst dit volgens Mappa c.s. terug naar de in lid 1 bedoelde vordering. Bij raadpleging van de Engelse versie van de GKVo blijkt echter dat dit een (kleine) vertaalfout is. In de Engelse versie staat in beide leden van artikel 106 GKVo opgenomen: “Where an (cursivering rechtbank) action relates (…)”, het onbepaalde lidwoord derhalve. Hetzelfde geldt voor de Spaanse en Portugese taalversies zo heeft de rechtbank zelf kunnen constateren. In de Duitse taalversie wordt in beide leden “die Klage” gebruikt, derhalve het bepaalde lidwoord. In lijn daarmee is in de Franse taalversie sprake van “l’action” in beide leden. Ofschoon er verschillen in bepaald- of onbepaaldheid van het lidwoord zijn te constateren, is uit al die taalversies duidelijk dat een terug verwijzing zoals door Mappa c.s. bepleit niet bedoeld is. Het komt de rechtbank ook bepaald onlogisch voor dat er enkel geschorst zou kunnen worden als er niet alleen een nietigheidsvordering maar ook opeisingsvordering aanhangig zou moeten zijn. Bovendien voegt lid 2 in wezen dan niets toe, omdat lid 1 al zelfstandig schorsing toelaat bij een opeisingsvordering, ongeacht derhalve of ook een nietigheidsvordering aanhangig is. De beide leden van artikel 106 GKVo dienen zodoende onafhankelijk van elkaar te worden gelezen. 6.3. Ten aanzien van lid 2 van artikel 106 GKVo betoogt Mappa c.s. voorts dat met het indienen van een verzoek door Danziger (zie onder 2.16) nog geen procedure tot nietig- of vervallenverklaring is ingeleid bij het CPVO. Artikel 53 bis lid 1 Uv-GKVo bepaalt dat het CPVO op eigen initiatief of op verzoek een procedure kan inleiden voor nietig- en vervallenverklaring wanneer er ernstige twijfels bestaan over de geldigheid van het recht. Gemakshalve geeft de rechtbank hieronder het artikel weer: 1. Wanneer er ernstige twijfels bestaan over de geldigheid van het recht kan het Bureau een procedure inleiden voor nietigverklaring en vervallenverklaring als bedoeld in respectievelijk artikel 20 en artikel 21 van de basisverordening. Een dergelijke procedure kan door het Bureau op eigen initiatief of op verzoek worden ingeleid. 2. Een aan het Bureau gericht verzoek om een procedure in te leiden voor nietigverklaring of vervallenverklaring als bedoeld in respectievelijk artikel 20 en artikel 21 van de basisverordening, gaat vergezeld van bewijsmateriaal en feiten die aanleiding geven tot ernstige twijfels over de geldigheid van het recht en bevat: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.