← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2022:8400

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.14417 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [naam], verzoeker V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. E.W.M. ter Meulen-Mouwen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.P. Guérain). Procesverloop Bij besluit van 26 juli 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen op de grond dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Overwegingen

  1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
  2. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
  3. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan ook in geval van een niet- kennelijke afdoening uitspraak worden gedaan zonder een zitting te houden wanneer onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. De voorzieningenrechter ziet daartoe aanleiding in dit geval.
  4. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter gevraagd de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet zal worden overgedragen aan Bulgarije voordat op zijn beroep is beslist.
  5. Het met deze zaak samenhangende beroep gaat over de vraag of ten aanzien van Bulgarije nog wel kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Onder meer is aangevoerd dat sprake is van een bestendige praktijk van pushbacks. Deze hebben volgens verzoeker niet alleen betrekking op het tegenhouden van vreemdelingen aan de buitengrens.
  6. De in beroep opgeworpen rechtsvragen vereisen een grondige beoordeling. Daarvoor leent de voorlopigevoorzieningenprocedure zich niet. Daarbij komt dat er een korte termijn geldt waarbinnen uitspraak moet worden gedaan, gelet op de vreemdelingenbewaring waarin verzoeker zich bevindt.
  7. Gelet op wat in beroep is aangevoerd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van verzoeker om de uitkomst van zijn beroep in Nederland af te wachten groter is dan verweerders belang bij overdracht van verzoeker aan Bulgarije.
  8. Het verzoek zal worden toegewezen.
  9. Er is aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 759 en een wegingsfactor 1). Beslissing De voorzieningenrechter: - treft de voorlopige voorziening dat verweerder de overdracht van verzoeker aan Bulgarije achterwege laat tot een week na bekendmaking van de uitspraak op het beroep met nummer NL22.14416; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 759 (zevenhonderdnegenenvijftig euro). Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet
  10. Algemene wet bestuursrecht. Artikel 28, derde lid, van de Verordening (EU) nr. 604/2013.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.