← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2022:8507

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.14650 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. H.C.Ch. Kneuvels), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.H.M. Post). Procesverloop Bij besluit van 21 juli 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak met nummer NL22.14651, op 19 augustus 2022 op een zitting behandeld in Breda. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Overwegingen

  1. De bestuursrechter moet uit zichzelf beoordelen of een beroep ontvankelijk is. Het bestreden besluit is bekendgemaakt op 21 juli 2022 en de termijn voor het instellen van beroep bedraagt één week. Het beroep is echter op 29 juli 2022 en daarmee buiten de termijn ontvangen. Op de laatste dag van de termijn was er volgens de pagina ‘Archief onderhoud en storingen’ op www.rechtspraak.nl geen sprake van een storing in Mijn Rechtspraak-Bestuursrecht. Evenmin zijn omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht, zoals bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht.
  2. Met deze vaststelling kan echter niet worden volstaan. Dat volgt uit het Bahaddar-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Daarin staat dat een nationale procedureregel niet in alle gevallen aan een vreemdeling mag worden tegengeworpen. Beoordeeld moet worden of bijzondere op de zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden nopen tot de conclusie dat het effectueren van het bestreden besluit onmiskenbaar zou leiden tot behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
  3. Naar het oordeel van de rechtbank doet een dergelijke situatie zich in het geval van eiser niet voor. Verweerder is voldoende gemotiveerd ingegaan op de door eiser bij zienswijze aangehaalde landeninformatie. Daaruit kan niet worden opgemaakt dat Dublinclaimanten in Spanje stelselmatig worden gediscrimineerd, dan wel geen toegang hebben tot onderdak.
  4. Uit de door eiser bij zienswijze aangehaalde uitspraak over de situatie voor Dublinclaimanten in Bulgarije, kan worden afgeleid dat de praktijk van pushbacks betekent dat sprake is van systematische tekortkomingen. Hoewel één van de door eiser bij zienswijze aangehaalde bronnen spreekt van pushbacks in Spanje, gaat het daarbij om vreemdelingen die zich aan de buitengrenzen melden. Anders dan in Bulgarije, is niet gebleken dat ook in Spanje sprake is van bijkomende omstandigheden, zoals vreemdelingen op afstand van de grens die te maken krijgen met pushbacks of een stijgend aantal slachtoffers van pushbacks.
  5. Ten slotte laat de omstandigheid dat, volgens eiser, de eerdere ervaringen van de vreemdeling in de ontvangende lidstaat doorgaans niet door verweerder worden meegewogen, onverlet dat eiser niet eerder als Dublinclaimant in Spanje is geweest. Verweerder heeft daarom kunnen overwegen dat eisers eerdere ervaringen in Spanje geen aanleiding zijn om af te zien van overdracht aan Spanje.
  6. Het beroep is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2022 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van N.A. D'Hoore, griffier, en wordt geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. op grond van artikel 69, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw. Arrest van 19 februari 1998 in de zaak Bahaddar tegen Nederland (ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.