← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2022:8554

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL20.17830 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , eiseres, V-nummer [v-nummer] (gemachtigde: mr. J.C.E. Hoftijzer), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Op 2 oktober 2020 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op haar opvolgende asielaanvraag van 6 februari

  1. Verweerder heeft op 12 oktober 2020 een verweerschrift ingediend. Bij besluit van 25 november 2020 heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen en aan eiseres een wettelijke dwangsom van € 1.442,- toegekend. Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder het zaaknummer NL20.
  2. Bij uitspraak van 18 januari 2021 heeft de rechtbank Den Haag dit beroep ongegrond verklaard. Overwegingen
  3. De rechtbank doet in deze zaak uitspraak zonder zitting, omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Een zitting is daarom niet nodig.
  4. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op zijn aanvraag, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag (de ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.
  5. Op 25 november 2020 heeft verweerder alsnog een besluit op de aanvraag van eiseres genomen. Volgens vaste rechtspraak betekent dit dat eiseres geen belang meer heeft bij de beoordeling van haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Eiseres betoogt dat zij nog wel belang heeft, omdat een rechterlijke dwangsom aan haar moet worden toegekend.
  6. In de wet is neergelegd dat de rechtbank aan zijn uitspraak op een beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit een nadere dwangsom kan verbinden voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven.
  7. In de beroepsprocedure van eiseres is echter geen toepassing gegeven aan de mogelijkheid om een rechterlijke dwangsom aan een uitspraak te verbinden. De rechtbank heeft immers niet eerder dan bij deze uitspraak op het beroep van eiseres tegen het niet tijdig nemen van een besluit beslist. Aangezien de rechtbank verweerder niet heeft opgedragen om binnen een bepaalde termijn alsnog een besluit op de aanvraag van eiseres te nemen op straffe van een nadere dwangsom, is verweerder aan eiseres geen rechterlijke dwangsom verschuldigd. Om die reden ziet de rechtbank in de verschuldigdheid van een rechterlijke dwangsom geen aanleiding om een belang van eiseres bij de beoordeling van het beroep aan te nemen. De rechtbank verklaart het beroep voor zover het gericht is tegen het niet tijdig nemen van een besluit daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
  8. Aangezien de wettelijke beslistermijn is overschreden en verweerder pas na overschrijding van deze termijn een besluit heeft genomen, veroordeelt de rechtbank verweerder in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 379,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- met een wegingsfactor 1/2). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
  9. Tenzij geheel aan het beroep tegemoetgekomen wordt, heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit. Aangezien het besluit een afwijzing van de aanvraag inhoudt en eiseres het hiermee niet eens is, is niet aan het beroep van eiseres tegemoetgekomen. Het beroep richt zich dan ook mede tegen het besluit van 25 november
  10. Eiseres heeft tegen het besluit ook apart beroep ingesteld. Op dat beroep heeft de rechtbank op 18 januari 2021 uitspraak gedaan. Vanaf dat moment heeft eiseres geen belang meer bij de beoordeling van een beroep tegen het besluit van 25 november
  11. De rechtbank verklaart het beroep voor zover het gericht is tegen het alsnog genomen besluit daarom niet-ontvankelijk. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep voor zover het gericht is tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk; verklaart het beroep voor zover het gericht is tegen het besluit van 25 november 2020 niet-ontvankelijk; veroordeelt verweerder in proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 379,
  12. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zie de artikelen 6:2, aanhef en onder b, van de Awb en 6:12, eerste en tweede lid, van de Awb. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 oktober 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3348). Zie het bericht van 12 februari
  13. Dit is neergelegd in artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Artikel 6:20, derde lid, van de Awb. Zie de brief van eiseres van 10 december 2020 in reactie op het genomen besluit.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.