RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.17250 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. K. Bruin). Procesverloop Bij besluit van 1 september 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van een schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 7 september 2022 op een zitting behandeld. Eiser is verschenen via een beeldverbinding. Hij heeft zich laten bijstaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Cherradi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
- Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1991 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
- In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is omdat een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
- De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die verweerder aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd, niet heeft betwist. De zware gronden 3a, 3b, en 3d en de lichte gronden 4a, 4c en 4d zijn – in onderlinge samenhang bezien – voldoende om aan te nemen dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring daarom dragen.
- Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan inbewaringstelling omdat eiser voornemens was om zelfstandig terug te keren naar Duitsland. Dit is niet gelukt door de treinstaking van de afgelopen periode. Eiser stelt in het bezit te zijn van 100 euro, zodat hij ook de middelen had om naar Duitsland te vertrekken. Gelet op voornoemde omstandigheden is eiser van mening dat verweerder hem in de gelegenheid had moeten stellen om zelfstandig uit Nederland te vertrekken.
- De rechtbank stelt vast dat uit het op ambtseed opgemaakte en ondertekende proces-verbaal van gehoor van 1 september 2022 volgt dat eiser geen medewerking heeft verleend aan dit gehoor. Daarnaast blijkt uit het vertrekgesprek van 2 september 2022 dat eiser weigert om terug te keren naar Duitsland. Uit het op ambtseed opgemaakte en ondertekende proces-verbaal van ophouding en onderzoek van 31 augustus 2022 blijkt dat bij de fouillering van eiser 25 euro is aangetroffen. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat eiser de beschikking had over 100 euro zoals ter zitting is gesteld. De enkele stelling ter zitting van eiser dat hij zelf heeft willen vertrekken, maar dat dit door externe factoren werd belemmerd is onvoldoende om niet uit te gaan van de op ambtseed opgemaakte proces-verbalen en het vertrekgesprek van 2 september 2022, waaruit juist volgt dat eiser niet voornemens was om zelfstandig terug te keren en daarbij ook niet over voldoende middelen beschikte om deze terugkeer te bekostigen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in de maatregel van bewaring voldoende heeft gemotiveerd dat in het geval van eiser geen lichter middel dan bewaring doeltreffend kon worden toegepast. Conclusie
- Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. N.F. Kreeftmeijer, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.