← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2022:9492

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL21.16285 uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 juli 2022 in de zaak tussen [verzoeker], verzoeker V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 26 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag om verlenging geldigheid van de aan verzoeker verleende verblijfsvergunning afgewezen en deze verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 13 maart 2016 ingetrokken. Dit besluit geldt ook als terugkeerbesluit. Bij besluit van 13 juni 2019 (de beslissing op bezwaar) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard. Deze rechtbank heeft bij uitspraak van 4 juni 2021 het door verzoeker ingestelde beroep gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar vernietigd en verweerder de opdracht gegeven opnieuw op het bezwaar van verzoeker te beslissen met inachtneming van de uitspraak. Bij besluit van 23 september 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder opnieuw op het bezwaar beslist en heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen

  1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
  2. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
  3. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank het hiervoor genoemde door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter stelt dan ook vast dat er geen bezwaar- dan wel beroepsprocedure meer loopt, zodat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
  4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Garabitian, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.C.M. van den Berg, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Op grond van de regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet (Ranov). Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 juni 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:
  5. Algemene wet bestuursrecht. Zaaknummer NL21.16283.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.