Rechtbank Den HAAG Meervoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 22-4606 Zaaknummer: C/09/632419 Datum beschikking: 21 september 2022 Internationale kinderontvoering Beschikking op het op 20 juli 2022 ingekomen verzoek van: [Y] , de vader, wonende te [woonplaats 1] , Rusland, advocaat: mr. H.M.A. over de Linden te Amsterdam. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [X] , in de basisregistratie personen opgenomen als [X] , de moeder, wonende te [woonplaats 2] , advocaat: mr. H.P. Scheer te Utrecht. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift; - het F9-formulier van 27 juli 2022 van de zijde van de vader, met bijlage; - het F9-formulier van 2 september 2022 van de zijde van de vader, met bijlage; - het F9-formulier van 5 september 2022 van de zijde van de vader, met bijlage; - het verweerschrift, met bijlagen; - het verslag van de bijzondere curator van 6 september 2022; - het F9-formulier van 7 september 2022 van de zijde van de vader. Op 2 augustus 2022 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat en [tolk] , een tolk in de Russische taal, alsmede de moeder, bijgestaan door haar advocaat en [medewerker RvdK 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming. Het betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. L. Koper. De behandeling ter terechtzitting is aangehouden. Na de regiezitting hebben de vader en de moeder getracht door middel van crossborder mediation, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, tot een minnelijke regeling te komen. Op 2 september 2022 heeft het Mediation Bureau de rechtbank bericht dat de mediation tussen partijen niet is geslaagd. De vader handhaaft daarom het teruggeleidingsverzoek. Bij beschikking van deze rechtbank van 2 september 2022 is [bijzondere curator] op grond van artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige [minderjarige] (hierna: [voornaam minderjarige] ). [voornaam minderjarige] is – in aanwezigheid van de bijzondere curator – op 7 september 2022 in raadkamer gehoord. Op 7 september 2022 is de behandeling ter terechtzitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader, via Teams, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in de Russische taal; de moeder, bijgestaan door mr. J.A.M. Schoenmakers en een tolk in de Russische taal; [medewerker RvdK 2] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad); [bijzondere curator] , de bijzondere curator. Verzoek en verweer De vader heeft verzocht: dat [voornaam minderjarige] wordt teruggeleid naar [woonplaats 1] , binnen twee weken na de beschikkingsdatum, althans zo spoedig mogelijk; dat de moeder de kosten van teruggeleiding op zich neemt, zoals destijds in de notariële akte opgenomen; de omgangsregeling zoals verwoord in de notariële akte van 1 september 2018 (naar de rechtbank begrijpt is bedoeld 16 februari 2018) onder punt 2.1 vast te stellen in het geval en voor zover het kind nog niet met spoed wordt teruggeleid, althans gedurende het geding; dwangsommen aan de moeder op te leggen van € 25,- per dag voor elke dag dat de moeder weigert de gemaakte afspraken van deze beschikking na te komen, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen hoogte van de dwangsom; een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Feiten - Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. - Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind: - [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] , Russische Federatie. - Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [voornaam minderjarige] uit. - In de notariële akte van 16 februari 2018 zijn partijen onder 1.2 het volgende overeengekomen: “De partijen zijn overeengekomen dat door het feit dat de moeder een arbeidsovereenkomst is aangegaan voor arbeid buiten de Russische Federatie met woonplaats in Nederland, gemeente [gemeente] , het kind van 1 september 2018 tot/met 1 september 2020 bij haar in haar verblijfplaats zal wonen. (…)” - De vader, de moeder en [voornaam minderjarige] hebben de Russische nationaliteit. - De vader heeft zich op 7 februari 2022 gewend tot de Nederlandse Centrale Autoriteit (CA). De zaak is bij de CA geregistreerd onder IKO nr. [nummer] . Beoordeling Rechtsmacht Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en Rusland zijn partij bij het Verdrag. De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht om kennis te nemen van het onderhavige teruggeleidingsverzoek, gelet op de werkelijke verblijfplaats van [voornaam minderjarige] in Nederland (zie HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU2834). Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene aan wie het gezag over het kind toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens. Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken. Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag). Gewone verblijfplaats Tussen partijen staat ter discussie waar [voornaam minderjarige] onmiddellijk voor haar achterhouding in Nederland haar gewone verblijfplaats had. Tussen partijen is niet in geschil dat [voornaam minderjarige] sinds juni 2018 samen met de moeder in Nederland verblijft en dat [voornaam minderjarige] destijds met toestemming van de vader naar Nederland is verhuisd. Partijen verschillen echter van mening over de vraag of haar verblijf in Nederland van tijdelijke duur was en of de gewone verblijfplaats van [voornaam minderjarige] op enig moment is gewijzigd naar Nederland. De vader stelt dat [voornaam minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Rusland heeft. Hij betoogt dat partijen zijn overeengekomen dat [voornaam minderjarige] tijdelijk bij de moeder in Nederland zou wonen en dat het de bedoeling was dat zij na de genoemde periode van 1 september 2018 tot en met 1 september 2020 weer zou terugkeren naar Rusland. Gelet op de coronacrisis en het belang van [voornaam minderjarige] bij het afronden van haar basisschooltijd in Nederland, heeft de vader toestemming gegeven om het verblijf van [voornaam minderjarige] in Nederland te verlengen tot 1 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.