← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2022:9694

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.18093 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. R.E. Temmen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft op 13 augustus 2022 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. Verweerder heeft voortgangsgegevens overgelegd. Eiser heeft daarop gereageerd. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 19 september 2022 gesloten. Overwegingen

  1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben.
  2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
  3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 23 augustus 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:8629, volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.
  4. Eiser voert aan dat het land van overdracht blijkens de voortgangsrapportage is gewijzigd van België naar Frankrijk zonder dat hij opnieuw is gehoord over de inbewaringstelling. Dit maakt de maatregel van bewaring naar het oordeel van de rechtbank echter niet onrechtmatig. Deze ontwikkeling laat immers onverlet dat eiser een Dublinclaimant is die op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw in bewaring kan worden gesteld. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat de gronden van de maatregel van bewaring, die in rechte vast staan en die duiden op een risico op onttrekking aan het toezicht, zouden moeten worden herzien. Bezwaren van eiser tegen overdracht naar Frankrijk kunnen worden aangevoerd in de beroepsprocedure tegen het overdrachtsbesluit.
  5. Daarnaast voert eiser aan dat de bewaring hem zwaar valt, dat deze inmiddels al vijf weken duurt en dat deze nog weken kan blijven voortduren hangende de procedure tegen het overdrachtsbesluit. Eiser heeft echter niet onderbouwd waarom de bewaring hem zwaar valt. Daarnaast is de in artikel 28, derde lid, van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening) gestelde maximumtermijn voor de bewaring nog niet verstreken. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding om het voortduren van de maatregel van bewaring op dit moment onevenredig te achten.
  6. Het beroep is ongegrond. Om die reden wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
  7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank:  verklaart het beroep ongegrond;  wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.