Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummers: 09/070394-22 en 09/190212-22 (ttz. van 9 september 2022 gevoegd) Datum uitspraak: 23 september 2022 Tegenspraak (Promisvonnis) De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [de verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] , op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats 1] , locatie [locatie] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 9 september 2022. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.C. Stolk en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. L.A. Sjadijeva naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging van dagvaarding I, feit 3, op de terechtzitting van 9 september 2022 - ten laste gelegd dat: Parketnummer 09/070394-22 (hierna dagvaarding I): 1. hij op of omstreeks 2 maart 2022 te ’s-Gravenhage en/of Amsterdam, althans in Nederland, [aangever] heeft bedreigd met met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of een terroristisch misdrijf, door die [aangever] (via Twitter in een bericht) de woorden toe te voegen " [tekst] ", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of bij dat bericht een profielfoto te gebruiken van een persoon die een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, vasthoudt, terwijl dit feit werd gepleegd tegen die [aangever] in diens hoedanigheid van journalist; 2.hij in of omstreeks de periode van 10 januari 2021 tot en met 29 maart 2022 te ‘s-Gravenhage, althans in Nederland, heeft gehandeld in strijd met artikel 9 van deWet wapens en munitie, immers heeft verdachte een wapen van categorie IIIvervaardigd en/of getransformeerd en/of uitgewisseld in de uitoefening van eenbedrijf en/of verhuurd en/of anderszins ter beschikking gesteld en/of hersteld en/ofbeproefd en/of verhandeld; 3. hij op of omstreeks 29 maart 2022 te ’s-Gravenhage- een vuurwapen van categorie III sub 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwd gaspistool, van het merk Zoraki, type 906, kaliber 9 mm P.A.K. en/of- (geprinte) onderdelen van een vuurwapen van categorie III sub 1 van de Wet wapens en munitie, te weten twee kasten van een vuurwapen, kaliber 9 mm en/of twee afsluiterdelen en/of dikwandig pijp en/of omhulsde patroonmagazijnen, zijnde die kast(
- en)en/of die afsluiterdelen en/of dikwandig pijp en/of magazijnen onderdelen van een semiautomatisch vuurwapen (FGC-9mm) en/of- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een patroon, van het merk Sellier & Bellot (S& B), kaliber 7.65 en/of- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 50 knalpatronen, van het merk Umarex, kaliber 9 mm P.A. Knall voorhanden heeft gehad; Parketnummer 09/190212-22 (hierna dagvaarding II): hij in of omstreeks 25 oktober 2019 tot en met 29 maart 2022 te ‘s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal telkens- afbeeldingen, te weten foto's en/of video’s en/of- een gegevensdrager, bevattende afbeeldingen, te weten een mobiele telefoon (Samsung 10) van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, heeft verworven, in bezit gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:het met de penis en/of hand vaginaal en/of oraal penetreren van het lichaam vaneen persoon, door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet hadbereikt (proces-verbaal van bevindingen opgemaakt op 21 juli 2022, nummer 2022077107,video 1 en/of video 2). 3De bewijsbeslissing 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding I onder 1 ten laste gelegde, met uitzondering van de in de tenlastelegging opgenomen strafverzwarende omstandigheden. De officier van justitie heeft voorts gerekwireerd tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding I onder 2 en 3 ten laste gelegde en het bij dagvaarding II ten laste gelegde. Op specifieke standpunten van de officier van justitie zal hierna – voor zover van belang – nader worden ingegaan. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 1, 2 en het bij dagvaarding II ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Op specifieke standpunten van de verdediging zal hierna – voor zover van belang – nader worden ingegaan. 3.3 Vrijspraak dagvaarding I, feit 1 Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 2 maart 2022 heeft gereageerd onder een bericht op Twitter van [aangever] (hierna: [aangever] ) met de tekst: “ [tekst] ”. De rechtbank is van oordeel dat deze tekst op zichzelf geen strafbare bedreiging oplevert. Er wordt immers niet met enig misdrijf gedreigd. De tekst spreekt de spijt uit dat [aangever] niet op een gewelddadige manier om het leven is gebracht. De omstandigheden waaronder de verdachte de tekst heeft geuit, brengen de rechtbank niet op andere gedachten. De officier van justitie heeft in dit verband gewezen op de profielfoto van het Twitteraccount van de verdachte, waarop de verdachte met baard en wapen te zien is. Ook heeft de officier van justitie gewezen op het feit dat de tekst van de verdachte een reactie is op een bericht van [aangever] waarin zij, ondersteund door een foto van haar kapotte voordeur, schrijft dat vrijheid van meningsuiting in Amsterdam-IJburg niet geldt. Deze bijkomende omstandigheden houden immers nog steeds geen dreiging met enig misdrijf in. Hoewel de door de verdachte gekozen bewoordingen verwerpelijk zijn en op [aangever] ongetwijfeld indruk hebben gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een bedreiging die voldoet aan het bepaalde in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht. Reeds om die reden zal de rechtbank de verdachte van feit 1 op dagvaarding I vrijspreken. 3.4 De beoordeling van de tenlastelegging Dagvaarding I, feit 2 Bewijsmiddelen De politie heeft onderzoek gedaan naar de Samsung Galaxy S10 die onder de verdachte in beslag is genomen. Op deze telefoon is een gesprek aangetroffen tussen de gebruikers [gebruikersnaam 1] en [gebruikersnaam 2] dat heeft plaatsgevonden tussen 1 november 2021 en 3 november 2021. In dit gesprek vraagt [gebruikersnaam 2] aan [gebruikersnaam 1] of hij vuurwapens print, waarop door [gebruikersnaam 1] bevestigend wordt geantwoord. [gebruikersnaam 1] zegt dat hij voornamelijk ‘fgc9 mk 2’ print. Op de Samsung Galaxy S10 is tevens een gesprek aangetroffen tussen de gebruikers [gebruikersnaam 1] en [gebruikersnaam 3] , dat heeft plaatsgevonden tussen 4 januari 2022 en 18 januari 2022. In dit gesprek zegt [gebruikersnaam 1] dat hij nog een halve ‘fgc9’ en een 3D-printer heeft liggen. Van de ‘fgc9’ en de 3D-printer wordt door [gebruikersnaam 1] een foto in de chat gestuurd. [gebruikersnaam 1] zegt daarna dat dit zijn handeltje nu is. De verbalisant herkent de kamer van de verdachte op de foto. In een gesprek met Telegram-gebruiker [gebruikersnaam 4] zegt [gebruikersnaam 1] dat hij met de 3D-printer wapens kan maken en dat hij “bezig is” met een fgc9. Daarnaast zijn op de telefoon andere gesprekken aangetroffen tussen [gebruikersnaam 1] en verschillende Telegram-gebruikers in de periode van 10 januari 2021 t/m 18 januari 2022. [gebruikersnaam 1] zegt in deze gesprekken (al dan niet desgevraagd) dat hij wapens en munitie kan leveren. In deze gesprekken worden door [gebruikersnaam 1] ook prijzen genoemd die hij voor bepaalde wapens wil hebben en is hij zelf ook op zoek naar specifieke wapens. Op 29 maart 2022 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning waar de verdachte verbleef op de [adres] in [plaats 2] . In de slaapkamer van de verdachte worden een 3D-printer en verschillende 3D-geprinte wapenonderdelen aangetroffen en door de politie in beslag genomen. De politie heeft onderzoek gedaan naar de 3D-geprinte onderdelen van een vuurwapen (FGC-9) die in de slaapkamer van de verdachte op de [adres] in [plaats 2] zijn aangetroffen. Uit dit onderzoek blijkt dat een deel van de aangetroffen onderdelen essentiële onderdelen van een vuurwapen betreft. Het gaat om onderdelen die vallen onder categorie III van de Wet wapens en munitie. Uit onderzoek naar de printopdrachten van de 3D-printer blijkt dat bestanden zijn aangetroffen die te relateren zijn aan het printen van wapenonderdelen. Bij deze printopdrachten staan data tussen 30 september 2021 en 12 december 2021 vermeld. Bij de politie heeft de verdachte verklaard dat het lang geleden is dat hij wapens heeft geprint. Ook heeft hij bij de politie verklaard dat hij de persoon is die op video’s te zien is met een pistool in zijn hand. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij gesprekken over wapens heeft gevoerd onder de naam [gebruikersnaam 1] . Bewijsoverwegingen Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Wet wapens en munitie is het verboden om zonder erkenning een wapen te vervaardigen, te transformeren of in de uitoefening van een bedrijf uit te wisselen, te verhuren of anderszins ter beschikking te stellen, te herstellen, te beproeven of te verhandelen. Dit verbod is sinds de Wet van 5 juni 2019 (Stb. 2019/267) onder meer ook van toepassing op het onderhandelen over of regelen van transacties voor de aankoop, verkoop of levering van wapens of munitie. Aldus is het toepassingsbereik van artikel 9 uitgebreid (vgl. het arrest van het gerechtshof Den Haag van 7 juni 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:975). Volgens de Hoge Raad kunnen ook particulieren handelen in de uitoefening van een bedrijf (zie het arrest van 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1693) Op basis van de hierboven genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat in de slaapkamer van de verdachte essentiële onderdelen van een vuurwapen (FGC-9) zijn aangetroffen. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet wapens en munitie zijn de bepalingen betreffende wapens mede van toepassing op essentiële onderdelen van vuurwapens. Dit maakt dat de onderdelen die bij de verdachte zijn aangetroffen gelijk te stellen zijn aan een wapen van categorie III van de Wet wapens en munitie. Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat de verdachte heeft erkend wapenonderdelen te hebben geprint en dat op de 3D-printer van de verdachte bestanden zijn aangetroffen die te relateren zijn aan het printen van wapenonderdelen. Naar het oordeel van de rechtbank leidt dit tot de conclusie dat de verdachte – door het printen van essentiële onderdelen van een wapen – een wapen van categorie III heeft vervaardigd. Niet is gebleken dat de verdachte hiervoor een erkenning heeft gehad. Dit levert al een gedeeltelijke bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op. Verder acht de rechtbank bewezen dat de verdachte essentiële onderdelen van wapens in de uitoefening van een bedrijf heeft verhandeld. De aard en inhoud van de chatberichten tussen de verdachte en verschillende gebruikers van Telegram – zoals hierboven weergegeven – laten naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie toe dan dat de verdachte heeft onderhandeld over de verkoop en levering van essentiële onderdelen van wapens. Daarmee heeft hij – gelet op de hiervoor genoemde uitbreiding van het toepassingsbereik van artikel 9 van de Wet wapens en munitie – essentiële onderdelen van een wapen (en dus een wapen) verhandeld in de uitoefening van een bedrijf. Hiervoor is evenmin gebleken dat de verdachte een erkenning had. Ook in zoverre acht de rechtbank het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal de verdachte partieel vrijspreken van hetgeen hem overigens nog bij dit feit ten laste is gelegd vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Dagvaarding I, feit 3 Bewijsmiddelen Op 29 maart 2022 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning aan de [adres] in [plaats 2] . In de slaapkamer van de verdachte op de vierde verdieping zijn verschillende (3D-geprinte) wapenonderdelen en een vuurwapen van het merk Zoraki, dat in onderdelen uiteen lag, aangetroffen. Ook is onder het matras een patroon gevonden. In de slaapkamer op de derde verdieping zijn een wapenonderdeel en een doosje met meerdere patronen aangetroffen. De moeder van de verdachte heeft verklaard dat de verdachte ongeveer acht maanden in de logeerkamer op de derde verdieping heeft geslapen. De (3D-geprinte) wapenonderdelen die in de woning zijn aangetroffen, zijn door een materiedeskundige onderzocht. Het is de materiedeskundige ambtshalve bekend dat de FGC-9 een semiautomatisch vuurwapen betreft. Ten aanzien van de wapenonderdelen komt de materiedeskundig tot de volgende bevindingen: De twee kasten van een vuurwapen, kaliber 9 mm, zijn strafbaar ingevolge de Wet wapens en munitie; De twee delen van de afsluiter zijn strafbaar ingevolge de Wet wapens en munitie; De metalen dikwandige pijp is strafbaar ingevolge de Wet wapens en munitie; De omhulsels van patroonmagazijnen zijn strafbaar ingevolge de Wet wapens en munitie. De materiedeskundige heeft geconcludeerd dat deze onderdelen vallen onder categorie III, sub 1 van de Wet wapens en munitie. Het wapen, merk Zoraki, is door de materiedeskundige onderzocht. Het gaat om een omgebouwd gaspistool, model 906, kaliber 9 mm, P.A.K. Het betreft een vuurwapen behorend tot categorie III, sub 1 van de Wet wapens en munitie. Het patroon dat is aangetroffen op de vierde etage is door de materiedeskundige onderzocht. Het gaat om pistoolmunitie, merk Sellier & Bellot (S&B), kaliber 7.65 mm, behorend tot categorie III van de Wet wapens en munitie. De 50 knalpatronen die zijn aangetroffen op de derde etage zijn door de materiedeskundige onderzocht. Het betreft munitie, merk Umarex, 9 mm P.A. Knall, behorend tot categorie III van de Wet wapens en munitie. Bij de rechter-commissaris heeft de verdachte verklaard dat alle in de woning aangetroffen onderdelen van vuurwapens van hem zijn. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij het gaspistool op enig moment heeft gekocht en dat hij de knalpatronen niet heeft gebruikt. Bewijsoverweging De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of kan worden gesproken van een vuurwapen in de zin van categorie III van de Wet wapens en munitie, omdat het gaspistool in onderdelen is aangetroffen. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De rechtbank overweegt als volgt. Het gaspistool is in onderdelen uiteen in de woning aangetroffen, waarbij de loop waarin de sper zat, is verwijderd. Door het verwijderen van de sper zijn de aangetroffen onderdelen aan te merken als essentiële onderdelen van een vuurwapen. Volgens de materiedeskundige is het immers juist door de verwijdering van de sper mogelijk geworden om met het wapen scherpe patronen te verschieten. Dit maakt dat de onderdelen die bij de verdachte zijn aangetroffen, zijn gelijk te stellen aan een essentiële onderdelen van een vuurwapen van categorie III van de Wet wapens en munitie. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet wapens en munitie zijn de bepalingen betreffende wapens mede van toepassing op essentiële onderdelen van vuurwapens. Het ontbreken van een ander (essentieel) onderdeel, de loop, staat aan een bewezenverklaring van dat onderdeel van de tenlastelegging niet in de weg. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte het bij dagvaarding I, onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan. Dagvaarding 2 Bewijsmiddelen Op 29 maart 2022 is een telefoon, merk Samsung, bij de verdachte in beslag genomen. Op deze telefoon zijn dertien kinderpornografische afbeeldingen, bestaande uit foto’s en video’s, aangetroffen. Van de dertien afbeeldingen bleken elf afbeeldingen uniek te zijn. Een van de afbeeldingen was opgeslagen in drie verschillende mediamappen. Op video 1 is te zien dat een jongetje een volwassen vrouw met zijn geslachtsdeel penetreert en met zijn handje de vagina van de vrouw aanraakt en (vermoedelijk) ook in gaat. Op video 2 is te zien dat de vrouw het geslachtsdeel van hetzelfde jongetje in haar mond neemt en hem pijpt. De geschatte leeftijd van het jongetje is tussen de twee en vier jaar oud. De gebruiker van de telefoon had toegang tot beide video’s. Een van de video’s is door de gebruiker van het toestel via Whatsapp verzonden naar een contact. Drie van de screenshots bleken benaderbaar te zijn, en waren opgeslagen in de mediamappen van Whatsapp en Snapchat. De video’s zijn op 13 juni 2020 respectievelijk 25 oktober 2019 op de telefoon gekomen. Bewijsoverwegingen Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat op de telefoon van de verdachte in totaal dertien kinderpornografische afbeeldingen (foto’s en video’
- s)zijn aangetroffen. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij geen weet heeft gehad van de kinderpornografische afbeeldingen op zijn telefoon. De verdachte vermoedt dat dergelijke afbeeldingen ofwel onbedoeld via Telegram zijn binnengekomen ofwel dat deze via één van zijn gamevrienden op zijn telefoon terecht moeten zijn gekomen. De rechtbank overweegt als volgt. De afbeeldingen zijn op de telefoon van de verdachte aangetroffen en een aantal daarvan, waaronder de twee gevonden video’s, waren voor hem toegankelijk. Daarbij komt dat één van de afbeeldingen in drie verschillende mappen stond opgeslagen en één van de video’s is verzonden naar een contact. Dit wijst naar het oordeel van de rechtbank op actieve handelingen van de gebruiker van de telefoon, in dit geval de verdachte. Dat de afbeeldingen onbedoeld of bij het gebruik door vrienden op zijn telefoon zijn terechtgekomen, zoals de verdachte ter terechtzitting heeft gesuggereerd, is op geen enkele manier onderbouwd en aannemelijk geworden. De rechtbank verwerpt het verweer. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit heeft begaan. 3.5 De bewezenverklaring De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: Ten aanzien van dagvaarding I: 2.hij in de periode van 10 januari 2021 tot en met 29 maart 2022 in Nederland heeft gehandeld in strijd met artikel 9 van de Wet wapens en munitie, immers heeft verdachte zonder erkenning een wapen van categorie III vervaardigd en in de uitoefening van een bedrijf verhandeld; 3. hij op 29 maart 2022 te ’s-Gravenhage- een vuurwapen van categorie III sub 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwd gaspistool, van het merk Zoraki, type 906, kaliber 9 mm P.A.K. en- (geprinte) onderdelen van een vuurwapen van categorie III sub 1 van de Wet wapens en munitie, te weten twee kasten van een vuurwapen, kaliber 9 mm en twee afsluiterdelen en een dikwandig pijp en omhulsde patroonmagazijnen, zijnde die kasten en die afsluiterdelen en dikwandig pijp en magazijnen onderdelen van een semiautomatisch vuurwapen (FGC-9
- mm)en- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een patroon, van het merk Sellier & Bellot (S& B), kaliber 7.65 en- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 50 knalpatronen, van het merk Umarex, kaliber 9 mm P.A. Knall voorhanden heeft gehad; Ten aanzien van dagvaarding II: hij in de periode van 25 oktober 2019 tot en met 29 maart 2022 in Nederland, - een gegevensdrager, te weten een mobiele telefoon (Samsung S10), bevattende afbeeldingen, van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken, in bezit heeft gehad, welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:het met de penis en/of hand vaginaal en/of oraal penetreren van het lichaam van een persoon, door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt. De tenlastelegging onder dagvaarding I, feit 2 bevat de kennelijke vergissing, namelijk het ontbreken van de toevoeging ‘zonder erkenning’. De rechtbank leest de tenlastelegging aldus verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad omdat in de tenlastelegging al wordt gesproken over ‘handelen in strijd met artikel 9 van de Wet wapens en munitie’, in welke bepaling de toevoeging ‘zonder erkenning’ staat. Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad. 4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 5De strafbaarheid van de verdachte De raadsvrouw heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte met betrekking tot de bij dagvaarding I onder 3 ten laste gelegde onderdelen die met de 3D-printer waren geprint moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de verdachte niet wist dat het strafbaar was om deze geprinte wapenonderdelen voorhanden te hebben. Voor zover de verdachte een beroep heeft willen doen op verontschuldigbare rechtsdwaling, verwerpt de rechtbank dat beroep. Van de verdachte, die zich heeft begeven in de wereld van de handel in wapens en het printen van onderdelen daarvan, mocht worden verwacht dat hij zich op de hoogte stelde van de geoorloofdheid van zijn activiteiten. De verdachte is strafbaar, omdat er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft in het geval van een veroordeling verzocht een straf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest, aangevuld met een voorwaardelijk deel. De verdediging heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de omstandigheid dat hij niet eerder heeft vastgezeten. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Ernst van de feiten De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan in totaal drie strafbare feiten. De verdachte heeft met een 3D-printer wapenonderdelen geprint, een wapen verhandeld, een tot vuurwapen omgebouwd gaspistool, onderdelen van vuurwapens en munitie in zijn bezit gehad. Hiermee heeft de verdachte bijgedragen aan de risico’s en gevaren die kleven aan illegale wapenhandel en het gevoel van onveiligheid binnen de samenleving dat hiermee gepaard gaat. Vuurwapens kunnen worden gebruikt om ernstige strafbare feiten te begaan, zoals overvallen, bedreigingen en levensdelicten en worden in toenemende mate gebruikt bij conflicten. Gelet op het voorgaande is krachtig optreden aangewezen tegen de handel in en het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie. Daarnaast heeft de verdachte kinderpornografisch materiaal voorhanden gehad. Bij de productie van kinderpornografisch materiaal worden kinderen seksueel misbruikt. Dit kan zeer nadelige gevolgen hebben (in de zin van psychische, emotionele en lichamelijke schade) voor de desbetreffende kinderen. Zij kunnen hierdoor ernstig worden geschaad in hun verdere ontwikkeling. De verdachte heeft – hoewel het hier gaat om een relatief kleine hoeveelheid – door zijn handelen een bijdrage geleverd aan de instandhouding van dergelijke verwerpelijke praktijken. Op alle bewezenverklaarde feiten kan naar het oordeel van de rechtbank uitsluitend worden gereageerd met de oplegging van een gevangenisstraf. Strafblad De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 1 augustus 2022. Hieruit blijkt dat de verdachte op 11 maart 2019 door de politierechter is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke werkstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf wegens brandstichting. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies over de verdachte van 5 september 2022. Daarin staat dat bij de verdachte op praktisch gebied weinig tot geen problemen lijken te zijn en dat de familie van de verdachte als beschermende factor dient te worden gezien. De reclassering krijgt op basis van het dossier een ander beeld van de verdachte dan het beeld dat bij hen is ontstaan op basis van de gesprekken. Daardoor is bij de reclassering nog veel onduidelijk over zijn gedragingen en houding; de verdachte is moeilijk te doorgronden. Het lijkt de reclassering wenselijk om een vinger aan de pols te houden. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld en het risico op onttrekking aan voorwaarden als laag. De rechtbank heeft bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf deels aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt vermeld voor het voorhanden hebben van (onderdelen) van een vuurwapen van categorie III een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden. In deze zaak heeft de verdachte een vuurwapen en meerdere vuurwapenonderdelen in zijn bezit gehad. Daar komt bij dat de verdachte zonder erkenning een wapen heeft vervaardigd en in de uitoefening van een bedrijf heeft verhandeld. Voor het bezit van kinderpornografische afbeeldingen melden de oriëntatiepunten als uitgangspunt een forse taakstraf en een gevangenisstraf, maar in dit geval ziet de rechtbank gelet op het totaalbeeld van de bewezen verklaarde feiten geen reden voor een taakstraf. In strafverzwarende zin weegt de rechtbank mee dat de verdachte nauwelijks blijk heeft gegeven inzicht te hebben in de laakbaarheid en ernst van zijn handelen. Ook op kritische vragen van de rechtbank heeft de verdachte geen bevredigend antwoord gegeven. Alles afwegende acht de rechtbank de eis van de officier van justitie in dit geval passend en geboden. Zij komt daarmee uit op een andere weging van de ernst van de bewezen verklaarde feiten, aangezien de verdachte – in afwijking van de vordering van de officier van justitie – zal worden vrijgesproken van de ten laste gelegde bedreiging. De rechtbank zal de verdachte dan ook veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, en een proeftijd van twee jaren. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk deel die bijzondere voorwaarden verbinden die door de reclassering zijn geadviseerd, voor zover deze verband houden met de feiten waarvoor de verdachte zal worden veroordeeld. 8De inbeslaggenomen voorwerpen Ter terechtzitting heeft de verdachte afstand gedaan van de op de beslaglijst onder 1 en 4 genoemde voorwerpen. De rechtbank zal hierover daarom geen beslissing nemen. 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 2 en 3 genoemde voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de verdachte. 8.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft geen standpunt ingenomen over het beslag. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van de op de beslaglijst onder 2 en 3 genoemde voorwerpen. 9De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straf is gegrond op de artikelen: - 14 a, 14b, 14c, 57 en 240b van het Wetboek van Strafrecht; - 9, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden. 10De beslissing De rechtbank: verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten en het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard, en dat het bewezen verklaarde uitmaakt: ten aanzien van dagvaarding I, feit 2: handelen in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd; ten aanzien van dagvaarding I, feit 3: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd; en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd; ten aanzien van dagvaarding II: een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben; verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 18 (ACHTTIEN) MAANDEN; bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 6 (ZES) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; en onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte: - zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland op het adres Bezuidenhoutseweg 179, 2594 AH te Den Haag op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht; - zich gedurende de proeftijd niet begeeft in Telegramgroepen; geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden; voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd: - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen. de inbeslaggenomen goederen; gelast de teruggave aan de verdachte van de op de beslaglijst onder 2 en 3 genoemde voorwerpen, te weten: 1 STK lamp; 1 STK filmapparatuur. Dit vonnis is gewezen door mr. H.P.M. Meskers, voorzitter, mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, rechter, mr. M.R. Aaron, rechter, in tegenwoordigheid van mrs. S.C.S. Ramlal en R.J. Groeneveld, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 september 2022. Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2022077107, van de districtsrecherche DH-Zuid, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 540). Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 15 april 2022, p.257. Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 7 april 2022, p.121 en 124. Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 7 april 2022, p.123. Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 april 2022, p.267-273. Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 29 maart 2022, p.36-37. Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 30 maart 2022, p. 85-92. Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 2 april 2022, p. 114-118. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt op 31 maart 2022, p.25. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt op 21 juni 2022, p. 137-138. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 9 september 2022. Wet van 5 juni 2019 tot wijziging van de Wet wapens en munitie in verband met de richtlijn (EU) 2017/853 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn 91/477/EEG van de Raad inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (Pb EU 2017, L 137/22). Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 29 maart 2022, p.36-38. Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 29 maart 2022, p.58. Een proces-verbaal, opgemaakt op 30 maart 2022, p. 85-92 Een proces-verbaal, opgemaakt op 31 maart 2022, p. 93-94. Een proces-verbaal, opgemaakt op 31 maart 2022, p.97-98. Een proces-verbaal, opgemaakt op 31 maart 2022, p.99-100. Een proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris, opgemaakt op 1 april 2022. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt op 31 maart 2022, p. 25-26. Een proces-verbaal van aanhouding, opgemaakt op 29 maart 2022, p.10. Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 21 juni 2022, p.527-528. Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 21 juli 2022 (ongenummerd).