RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL22.19099 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , verzoeker, geboren op [geboortedatum] , van Syrische nationaliteit, V-nummer: [V-nummer] , (gemachtigde: mr. S. Kalu), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: S. Günes). Inleiding Verzoeker heeft op 25 februari 2021 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf voor verblijf als familie- of gezinslid bij [naam] (referent) in het kader van nareis. Op 20 oktober 2021 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Daarop heeft verzoeker op 9 november 2021 een bezwaarschrift ingediend. Op 23 september 2022 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar. Bij besluit van 10 maart 2023 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker gegrond verklaard. Verzoeker heeft vervolgens het beroep ingetrokken en verzocht om een vergoeding van proceskosten. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Verweerder heeft hierop niet gereageerd. De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. Overwegingen De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb. De rechtbank stelt vast dat verweerder aan verzoeker tegemoet is gekomen door hangende het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog een beslissing te nemen op het bezwaar van verzoeker van 9 november
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.