Rechtbank DEN Haag – ECLI:NL:RBDHA:2023:11209
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL23.16866 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, geboren op [geboortedatum] , van Jemenitische nationaliteit, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. A.M.I. Eleveld), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. M. Verzijden).
Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel die de staatssecretaris aan hem heeft verleend in het besluit van 11 mei 2023.
1.1.
De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 juli 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden die eiser naar voren heeft gebracht. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De Procedurerichtlijn stelt geen regels over de termijn waarbinnen de vreemdeling na het uiten van zijn asielwens in de gelegenheid moet worden gesteld de aanvraag daadwerkelijk in te dienen. Ook artikel 3.108c van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) stelt geen concrete termijn. Uit artikel 6, derde lid, van de Procedurerichtlijn volgt voorts dat lidstaten bevoegd zijn de wijze van indiening van een asielaanvraag voor te schrijven, wat in de nationale regelgeving tot uiting komt in artikel 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht in combinatie met artikel 3.108 van het Vb 2000 en paragraaf C1/2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Gelet op het voorgaande, heeft de staatssecretaris terecht gesteld dat de datum waarop eiser zich in Ter Apel heeft aangemeld en zijn asielwens heeft geuit - te weten 12 mei 2022 - niet geldt als de ingangsdatum van de asielvergunning, maar dat dit 1 juni 2022 is: de datum waarop eiser het M35-H heeft ondertekend en dus zijn asielaanvraag heeft ingediend.
6.1.
De notitie van de Commissie Strategisch Procederen, waar eiser zich op beroept, maakt dit oordeel niet anders. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het denkbaar is dat de Nederlandse overheid voor een ander systeem had kunnen kiezen, maar dat, nu het huidige systeem niet in strijd is met de Procedurerichtlijn, er geen aanleiding bestaat om dit systeem voor onjuist te houden. Eisers beroep op het arrest Mengesteab slaagt ook niet, omdat in die zaak sprake is van een andere procedure, namelijk de Dublinprocedure, en een andere rechtsvraag, namelijk de uitleg van artikel 20, tweede lid, van de Dublinverordening. Ook uit het arrest volgt dat artikel 6 van de Procedurerichtlijn en artikel 20 van de Dublinverordening van elkaar verschillen: het gaat om twee verschillende procedures die elk hun eigen eisen stellen en met name als het gaat om de termijnen aan verschillende regelingen zijn onderworpen. De vragen die de Afdeling op 9 mei 2023 aan de staatssecretaris heeft gesteld, en waar eiser naar verwijst, hebben ook – anders dan deze zaak - betrekking op een Dublinsituatie. Voor zover eiser betoogt dat de loopbrief een naar nationaal recht voorgeschreven officieel rapport is als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de Procedurerichtlijn, heeft de staatssecretaris voldoende toegelicht dat de loopbrief enkel een logistiek document is dat geen grondslag heeft in het nationale recht.
Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de ingangsdatum van de asielvergunning dus niet wordt gewijzigd. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Lok, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel ECLI:NL:RVS:2018:2098 notitie ‘De ingangsdatum van verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd (vbt-a) in het licht van de Procedurerichtlijn’ van 18 januari 2023 arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 juli 2017, ECLI:EU:C:2017: 587 zie de uitspraak waar het hoger beroep op ziet: ECLI:NL:RBDHA:2023:5405