RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL22.7586 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. A. Agayev), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 30 augustus
- Verweerder is niet ingegaan op het verzoek van de rechtbank om een verweerschrift in te dienen. Bij besluit van 23 juni 2022 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser ingewilligd. Desgevraagd heeft eiser medegedeeld dat hij het beroep handhaaft. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. Overwegingen
- Voor zover het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag van eiser, stelt de rechtbank vast dat met de inwilliging van de asielaanvraag aan het beroep tegemoet is gekomen, zodat eiser gelet op het bepaalde in artikel 6:20, derde lid, van de Awb in zoverre geen procesbelang meer heeft.
- Eiser heeft in zijn schriftelijke bericht aan de rechtbank van 27 juni 2022 verzocht te bepalen dat verweerder aan hem een dwangsom betaalt. De rechtbank begrijpt dit verzoek aldus dat eiser zich op het standpunt stelt dat verweerder aan hem een bestuurlijke dwangom verschuldigd is.
- De Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Tijdelijke wet) sluit uit dat de artikelen 4:17 tot en met 4:19 en 8:55c van de Awb worden toegepast op besluiten op asielaanvragen. Om die reden kan verweerder aan eiser geen bestuurlijke dwangsommen verbeuren.
- Eiser stelt in zijn bericht van 13 mei 2022 dat de Tijdelijke wet in strijd is met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel. Eiser stelt zich hiermee op het standpunt dat het buiten toepassing stellen van de bestuurlijke dwangsomregeling resulteert in voor asielaanvragen ongunstiger procedurevoorschriften dan die welke gelden voor soortgelijke situaties naar nationaal recht.
- De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft bij uitspraak van 30 november 2022 echter geoordeeld dat artikel 1 van de Tijdelijke wet in zoverre niet in strijd is met het Unierecht. Daarbij heeft de Afdeling overwogen dat soortgelijke nationaalrechtelijke procedures zich niet voordoen. Eiser heeft zijn stelling in dit verband niet onderbouwd, dus de rechtbank ziet geen aanleiding voor een ander oordeel.
- Nu artikel 1 van de Tijdelijke wet in dit geval de mogelijkheid van een bestuurlijke dwangsom uitsluit, kan eiser met het beroep niet bereiken wat hij wil, zodat ook in zoverre het procesbelang ontbreekt.
- Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
- Eiser heeft vanwege het niet-tijdig beslissen op zijn aanvraag beroep kunnen instellen bij de rechtbank. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 418,50 bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep niet-ontvankelijk; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 418,50 (vierhonderdachttien euro en vijftig cent). Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. ECLI:NL:RVS:2022:3352.