Rechtbank DEN Haag Bestuursrecht zaaknummer: SGR 21/3226 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2023 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser en het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg, verweerder, (gemachtigde: A. Danişman). Inleiding In het besluit van 9 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder positief beslist op de aanvraag van Het Circulaire Ambachtscentrum om een omgevingsvergunning voor het vestigen van het circulaire ambachtscentrum op het perceel de [adres] [nummer 1] en [nummer 2] te [plaats]. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In het besluit van 16 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Hierna is eiser in beroep gegaan. De rechtbank heeft het beroep op 17 januari 2023 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiser deelgenomen. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen
- De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
- Verweerder heeft het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser geen belanghebbende is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij het primaire beluit. Verweerder heeft in het bestreden besluit conform de geldende vaste rechtspraak over het belanghebbende begrip besloten. Eiser heeft geen eigen, persoonlijk belang bij het primaire besluit, omdat hij blijkens ruimtelijkeplannen.nl op een afstand van hemelsbreed circa 4 km woont tot het perceel waarvoor de omgevingsvergunning is verleend. Eiser heeft vanuit zijn woning geen zicht op het perceel waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft. Daarnaast is niet gebleken dat het primaire besluit gevolgen van enige betekenis heeft voor de woon- of leefsituatie van eiser. Het belang van eiser dat het college zich aan de regels houdt, onderscheidt eiser niet van de andere inwoners van de gemeente Leidschendam-Voorburg. Ook dat is dus geen eigen, persoonlijk belang.
- Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 januari
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.