RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 22/5298 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 maart 2023 in de zaak tussen [eiser], te [woonplaats], eiser en de burgemeester van Oegstgeest, en het college van burgemeester en wethouders van Oegstgeest, verweerders, (gemachtigden: D.M.M. van der Zwet en mr. A. Kooij). Procesverloop Bij besluit van 26 april 2022 (het primaire besluit) hebben verweerders een evenementenvergunning verleend voor een kindervrijmarkt op 5 mei 2022 te Oegstgeest. Bij besluit van 21 juli 2022 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 15 februari 2023 via een videoverbinding behandeld. Eiser heeft hieraan niet deelgenomen. De gemachtigden van verweerders wel. Overwegingen Waar gaat deze zaak over?
- Eiser vindt dat de evenementenvergunning niet had mogen worden verleend.
- Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en stelt dat eiser niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2.
- Verweerder heeft het bezwaar ook niet-ontvankelijk verklaard, omdat het evenement al heeft plaatsgevonden en eiser met zijn bezwaar niet meer kan bereiken wat hij wil. Heeft eiser nog belang bij een beslissing op zijn beroep?
- De rechtbank moet eerst beoordelen of eiser voldoende procesbelang heeft bij zijn beroep nu het evenement waarvoor een evenementenvergunning is verleend al heeft plaatsgevonden. 3.
- De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter kan worden afgeleid dat in beginsel geen procesbelang meer is bij een inhoudelijk oordeel over de vraag of een evenementenvergunning had mogen worden verleend, als het evenement al heeft plaatsgevonden. Er kan een uitzondering worden gemaakt, als aannemelijk is dat nieuwe besluiten over soortgelijke situaties zullen volgen en het evenement dus bijvoorbeeld jaarlijks plaatsvindt. Het belang bij een inhoudelijk oordeel omtrent de rechtmatigheid van een verleende vergunning kan dan zijn gelegen in de omstandigheid dat het inhoudelijk oordeel kan worden betrokken bij eventuele toekomstige aanvragen voor een vergunning en de toetsing daarvan. Ook kan procesbelang bestaan indien de betrokkene stelt schade te hebben geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat deze schade daadwerkelijk hierdoor is geleden.
- De rechtbank leest in de beroepsgronden van eiser geen inhoudelijke argumenten. Nu het evenement al heeft plaatsgevonden, heeft verweerder eisers bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft dit standpunt van verweerder niet weersproken. Het standpunt van verweerder dat het repeterend karakter van het evenement niet maakt dat altijd procesbelang aanwezig blijft, laat de rechtbank daarom onbesproken.
- Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. van Veen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 maart
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:164.