RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL23.21786 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak van 11 augustus 2023 tussen [eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser (gemachtigde: mr. H.K. Jap A Joe), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. F.S. Schoot). Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 26 juli 2023, waarin de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) heeft opgelegd. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
- De rechtbank heeft het beroep op 8 augustus 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van de staatssecretaris. Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt of de staatssecretaris eiser in bewaring mocht stellen. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
- Het beroep is ongegrond. De maatregel van bewaring is rechtmatig. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Is eiser op rechtmatige wijze aangehouden?
- Eiser voert aan dat er geen wettelijke grondslag is voor zijn aanhouding en dat deze onrechtmatig heeft plaatsgevonden. De hierop volgende inbewaringstelling is daarom ook onrechtmatig opgelegd. Dat eiser zich op een overlastlocatie bevond is volgens hem onvoldoende om zijn identiteitsbewijs te vorderen en hem vervolgens aan te houden. Eiser stelt verder dat de identiteitsplicht van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) enkel een verplichting is in het geval dat een strafbaar feit is gepleegd. Aangezien eiser geen strafbaar feit heeft gepleegd was hij niet verplicht om zijn identiteitsbewijs te tonen. 5.
- Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat uit het ‘proces-verbaal van bevindingen’ van 25 juli 2023 blijkt dat eiser is aangehouden op grond van een strafrechtelijke bevoegdheid. De verbalisanten hebben namelijk het identiteitsbewijs van eiser gevorderd nadat zij zagen dat één van de personen in de groep, waartussen hij zich bevond, een joint aan het roken was op openbaar terrein. Eiser is daarop aangehouden op grond van artikel 447e van het WvSr. De bewaringsrechter is niet bevoegd te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheden. Dat is voorbehouden aan de daartoe bevoegde (straf)rechter. Eerst indien die bevoegde (straf)rechter heeft vastgesteld dat het strafrechtelijk voortraject niet rechtmatig is geweest, is het aan de bewaringsrechter te onderzoeken welke consequenties daaraan moeten worden verbonden. Dat vergt een afweging van belangen. In dit geval is echter niet gebleken dat de bevoegde rechter het strafrechtelijk voortraject onrechtmatig heeft bevonden. Het betoog van eiser slaagt niet. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
- Los van de door eiser aangevoerde beroepsgrond, ziet de rechtbank in de door de staatssecretaris en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de inbewaringstelling van eiser rechtmatig is en de staatssecretaris geen schadevergoeding aan eiser hoeft te betalen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El Amrani, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. ABRvS 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829 & Rb. Gelderland 19 augustus 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:
- Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.