← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2023:12396

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL23.15074 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 augustus in de zaak tussen [eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A.M. Veld), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 22 mei 2023, waarin de staatssecretaris de asielaanvraag van eiser van 28 december 2022 niet in behandeling heeft genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. 1.1 De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Beoordeling door de rechtbank
  2. De rechtbank beoordeelt of het beroep ontvankelijk is. Heeft eiser nog procesbelang?
  3. De staatssecretaris heeft in het bericht van 26 mei 2023 aan de rechtbank laten weten dat eiser op 24 mei 2023 door het COa is geregistreerd als met onbekende bestemming vertrokken (MOB-melding). De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser op 31 mei 2023 verzocht om een reactie op het bericht van de staatssecretaris. De gemachtigde van eiser heeft hier niet op gereageerd. 3.
  4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat als de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder contact te onderhouden met zijn gemachtigde, hij geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. De vreemdeling heeft in dat geval geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Dit is alleen anders als een vreemdeling laat weten dat hij nog contact met zijn gemachtigde heeft en dus nog steeds prijs stelt op de door hem verzochte bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft en waar hij verblijft en dat de gemachtigde nog contact heeft met de vreemdeling over de voortgang van de procedure en de keuzes die daarin moeten worden gemaakt. 3.
  5. Gelet op deze rechtspraak en het feit dat een reactie van de gemachtigde van eiser op de MOB-melding is uitgebleven, neemt de rechtbank aan dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk verzochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Conclusie en gevolgen
  6. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van mr. D. Steenbeek, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk. Zie bijvoorbeeld ABRvS, 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:579.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.