RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: NL23.524 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1983 en van Ethiopische nationaliteit, verzoeker, V-nummer: [V-nummer] , (gemachtigde: mr. I.M. van Kuilenburg), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid(gemachtigde: M. van der Lubbe). Procesverloop Op 22 december 2022 heeft verweerder aan verzoeker kenbaar gemaakt dat hij op 16 januari 2023 aan de Italiaanse autoriteiten zal worden overgedragen. Verzoeker heeft op 6 januari 2023 beroep ingesteld tegen deze voorgenomen feitelijke overdracht en tevens de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen met als doel de feitelijke overdracht te voorkomen. Het beroep is geregistreerd onder zaaknummer NL23.523. De voorzieningenrechter heeft op 11 januari 2023 het onderzoek gesloten. Overwegingen Inleiding 1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, uitspraak doen zonder zitting. 2. De voorzieningenrechter acht in dit geval termen aanwezig om van deze bevoegdheid gebruik te maken. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder op 22 december 2022 met een kennisgeving aan verzoeker een vluchtdatum kenbaar heeft gemaakt en dat daarmee duidelijk is geworden dat hij op 16 januari 2023 om 09:40 uur met vluchtnummer [vluchtnummer] zal uitreizen naar Rome in Italië. Dit levert spoedeisend belang op. 3. Het beroepschrift van verzoeker van 6 januari 2023 moet worden aangemerkt als bezwaarschrift gericht tegen de feitelijke overdracht. Het beroep zal daarom met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden doorgezonden aan verweerder om als bezwaarschrift te worden behandeld. 4. Getoetst moet worden of de feitelijke overdracht verboden moet worden omdat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter gaat daarbij uit van de volgende feiten en omstandigheden. Relevante feiten en omstandigheden 5. Op 18 april 2022 heeft verzoeker een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Uit het door verzoeker overgelegde Italiaanse verblijfsdocument is gebleken dat Italië een verblijfstitel aan verzoeker heeft verleend met een geldigheidsduur van 27 januari 2021 tot 31 augustus 2022. Ook heeft verzoeker bevestigd dat hij in Italië een verblijfsvergunning heeft gekregen voor verblijf als student. Verweerder heeft op 19 mei 2022 de autoriteiten van Italië gevraagd om verzoeker over te nemen op grond van artikel 12, eerste lid, van de Dublinverordening (Vo 604/2013). De Italiaanse autoriteiten zijn hiermee op 19 juli 2022 akkoord gegaan. 6. Bij besluit van 14 november 2022 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) omdat Italië daarvoor verantwoordelijk is. Het hiertegen door verzoeker ingestelde beroep is op 15 december 2022 (NL22.23263) ongegrond verklaard. Het oordeel van de voorzieningenrechter Het toetsingskader 7. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 21 februari 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ2788) en van 19 augustus 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1952), volgt dat de mogelijkheid tot het maken van bezwaar op basis van artikel 72, derde lid, Vw 2000 tegen een voorgenomen feitelijke uitzetting is beperkt tot een bezwaar over de wijze waarop verweerder van de bevoegdheid tot uitzetting gebruik maakt. Daarnaast is het maken van zo’n bezwaar mogelijk, indien de situatie ten tijde van de feitelijke uitzetting dusdanig verschilt van die ten tijde van het besluit waaruit de bevoegdheid tot uitzetting voortvloeit, dat niet langer onverkort van de rechtmatigheid van de voorgenomen feitelijke uitzetting kan worden uitgegaan. Verder heeft de Afdeling bij uitspraak van 26 maart 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ8704) overwogen dat een vreemdeling in dat geval nieuwe feiten en omstandigheden moet aanvoeren ten opzichte van wat hij heeft aangevoerd of had kunnen aanvoeren tegen het besluit waaruit de bevoegdheid tot die uitzetting voortvloeit. Deze uitspraken van de Afdeling zijn ook van toepassing op de feitelijke overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in de zin van de Dublinverordening. Circular Letter van 5 december 2022 8. Verzoeker verzet zich tegen de voorgenomen overdracht aan Italië onder verwijzing naar gewijzigde omstandigheden die maken dat de feitelijke overdracht onrechtmatig zal zijn. Verzoeker verwijst daartoe naar de Circular Letter van 5 december 2022 van de Italiaanse autoriteiten – gericht aan alle Dublin Units van de lidstaten – met de mededeling dat Italië Dublinoverdrachten tijdelijk niet accepteert omdat er geen opvangmogelijkheden zijn. Dit geldt alleen niet voor overdracht van alleenstaande minderjarigen en gevallen van gezinshereniging, maar dat is hier niet aan de orde. Verweerder moet uitgaan van de inschatting van de Italiaanse autoriteiten dat zij niet langer in staat zijn op een verantwoorde wijze opvang te bieden aan inkomende Dublinclaimanten. Verzoeker verwijst ook naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 29 december 2022 (NL22.24566). Naar de mening van verzoeker is overdracht zonder opvang is in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) nu het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ-EU) in het arrest in de zaak Jawo tegen Duitsland van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218, punt 87) heeft overwogen dat van Dublinoverdracht moet worden afgezien wanneer er ernstige, op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de asielzoeker een risico zal lopen op schending van artikel 4 Handvest bij de overdracht of als gevolg daarvan. Verzoeker is van mening dat dit reden lijkt om zijn asielzaak in Nederland te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening, wat verweerder heeft miskend. 9. Naar het oordeel van voorzieningenrechter heeft verzoeker met de Circular Letter van de Italiaanse autoriteiten van 5 december 2022 nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd ten opzichte van zijn asielprocedure die is geëindigd met voormelde onherroepelijk uitspraak van 15 november 2022 en dient hij daarom in zijn verzoek te worden ontvangen. De rechtbank heeft verweerder bij digitaal bericht van 6 januari 2023 verzocht op deze ingebrachte Circular Letter van 5 december 2022 te reageren en, om vast te kunnen stellen of sprake is van slechts een tijdelijk overdrachtsbeletsel, aan te geven a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.