RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.26839 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. R.E. Temmen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft op 16 november 2022 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft het onderzoek op 23 november 2022 gesloten. Bij uitspraak van 29 november 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:12962, is het beroep ongegrond verklaard. Op 23 november 2022 heeft eiser zijn asielaanvraag ingetrokken. Verweerder heeft vervolgens op 23 november 2022 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw (onder gelijktijdige opheffing van de eerdere maatregel). Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. Verweerder heeft voortgangsgegevens overgelegd. Eiser heeft daarop gereageerd. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 4 januari 2023 gesloten. Overwegingen
- Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1999 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
- Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
- De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 december 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:13392, volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt (dat was: 5 december 2022), rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds dat moment de maatregel van bewaring rechtmatig is.
- Eiser voert aan dat er afgezien van het voeren van een drietal vertrekgesprekken geen vooruitgang is geboekt, zodat er volgens hem onvoldoende voortvarend wordt gehandeld en een concreet zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko ontbreekt.
- De rechtbank volgt eiser hierin niet. Sinds de maatregel van 23 november 2022 heeft verweerder op 7 december 2022 en op 27 december 2022 vertrekgesprekken met eiser gevoerd. Daarnaast blijkt uit de voortgangsrapportage en uit de verslagen van de vertrekgesprekken dat verweerder een laissez-passeraanvraag heeft opgestart, maar dat deze is afgesloten omdat eiser geen medewerking wenst te verlenen aan het afgeven van dactyloscopische gegevens (vingerafdrukken). Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder voldoende voortvarend te werk gaat. Dat er tot op heden geen uitzetting heeft plaatsgevonden, komt gelet op eisers houding voor rekening en risico van eiser. Er is dan ook geen sprake van het ontbreken van een concreet zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko. Het is de rechtbank namelijk ambtshalve bekend dat uitzetting naar Marokko momenteel in algemene zin mogelijk is. Gesteld noch gebleken is dat dit in het geval van eiser niet opgaat nadat hij alsnog zou besluiten om gevolg te geven aan zijn meewerkplicht. De duur van eisers bewaring sinds 16 november 2022 is als zodanig onvoldoende om tot opheffing van de maatregel over te gaan.
- Voor het overige ziet de rechtbank ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de (tenuitvoerlegging van de) maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
- Het beroep is ongegrond. Om die reden wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C., B. en X. tegen Nederland).