← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2023:1606

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.14980 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam], eiser V-nummer: [Nummer] (gemachtigde: mr. D. de Vries), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Inleiding Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser op 3 augustus 2022 heeft ingesteld omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn asielaanvraag van 20 november

  1. Op 18 augustus 2022 heeft verweerder alsnog beslist op de aanvraag. Verweerder heeft daarbij een verblijfsvergunning asiel aan eiser verleend met ingang van 20 november 2021, geldig tot 20 november
  2. Verweerder heeft in het besluit verder vastgesteld dat hij geen dwangsom verschuldigd is wegens het niet tijdig beslissen. Vervolgens heeft eiser de rechtbank op 23 augustus 2022 bericht dat hij zijn beroep handhaaft, omdat verweerder in het besluit van 18 augustus 2022 heeft nagelaten om vast te stellen dat hij een dwangsom heeft verbeurd. De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting. Overwegingen
  3. Voor zover het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag van eiser, stelt de rechtbank vast dat met de inwilliging van de asielaanvraag aan het beroep tegemoet is gekomen, zodat eiser gelet op het bepaalde in artikel 6:20, derde lid, van de Awb in zoverre geen procesbelang meer heeft.
  4. De Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Tijdelijke wet) sluit uit dat de artikelen 4:17 tot en met 4:19 en 8:55c van de Awb worden toegepast op besluiten op asielaanvragen. Om die reden kan verweerder aan eiser geen bestuurlijke dwangsommen verbeuren. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in hoger beroep bij uitspraak van 30 november 2022 geoordeeld dat er geen aanleiding is voor de conclusie dat de Tijdelijke wet op dit punt onverbindend moet worden geacht wegens strijd is met het Unierecht. Nu artikel 1 van de Tijdelijke wet in dit geval de mogelijkheid van een bestuurlijke dwangsom uitsluit, kan eiser met het beroep niet bereiken wat hij wil, zodat ook in zoverre het procesbelang ontbreekt.
  5. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
  6. Eiser heeft in beginsel recht op een vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten omdat niet tijdig is beslist op zijn aanvraag. Nu verweerder in verband hiermee reeds is veroordeeld tot vergoeding van eisers proceskosten in de procedure NL22.10526, is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in het onderhavige beroep. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Algemene wet bestuursrecht ECLI:NL:RVS:2022:3352 Beroepschrift ingediend op 7 juni 2022 namens eiser door mr. T. Der Bedriosian.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.