RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 22/8321 uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 februari 2023 in de zaak tussen Luna Events B.V., uit Honselersdijk, verzoekster (gemachtigde: mr. T.J.J. Slegers), en de burgemeester van de gemeente Westland, verweerder (gemachtigde: mr. R.D. Lotte). Procesverloop Bij besluit van 6 januari 2022 heeft verweerder aan verzoekster een exploitatievergunning met daaraan gestelde voorschriften verleend. Bij besluit van 25 mei 2022 heeft verweerder de exploitatievergunning op enkele punten aangepast. Bij besluit van 17 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen teneinde het bestreden besluit en het onderliggende primaire besluit te schorsen. De voorzieningenrechter heeft, met toepassing van artikel 8:83, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege te gelaten. Overwegingen
- Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
- De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist.
- Vooropgesteld constateert de voorzieningenrechter dat het voor verzoekster, ook met de verleende exploitatievergunning, nog steeds mogelijk is om haar bedrijf te exploiteren.
- Verzoekster stelt dat zij door het bestreden besluit financiële en reputatie schade lijdt. Zij verklaart onder meer dat haar personeel dreigt met vertrek, klanten afzien van mogelijke huurcontracten dan wel de huur opzeggen en dat de onzekere situatie leidt tot een ongunstige onderhandelingspositie jegens nieuwe klanten en andere bedrijven. Verzoekster heeft een aantal screenshots van Whatsappberichten overgelegd waaruit dit zou blijken.
- In de regel vormt een financieel belang onvoldoende reden om een voorlopige voorziening te treffen. Zoals verweerder terecht aangeeft, kan eventueel geleden schade bij vernietiging in de beroepszaak voor vergoeding in aanmerking komen. Dit geldt ook voor bestuurlijke maatregelen in het kader van handhaving indien die zijn opgelegd. Dat in het geval van verzoekster sprake is van een acute financiële noodsituatie op grond waarvan een uitzondering op deze hoofdregel zou moeten worden gemaakt, is uit de door verzoekster overgelegde stukken niet af te leiden.
- Voor zover verzoekster stelt dat zij reputatieschade lijdt, ziet de voorzieningenrechter geen direct verband tussen deze veronderstelde schade en de door verweerder verleende exploitatievergunning.
- De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang.
- De door verzoekster gevraagde voorziening kan voorts worden getroffen als het evident is dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Met evident wordt bedoeld dat dit zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht kan worden vastgesteld. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan te nemen dat hiervan sprake is. Conclusie
- De voorzieningenrechter verklaart het verzoek kennelijk ongegrond.
- Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, rechter, in aanwezigheid van mr. B.D.A. Mantingh griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld. Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.