RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.17610 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [verzoeker 1] , [verzoeker 2] , [verzoeker 3] , [verzoeker 4] , [verzoeker 5] , [verzoeker 6] , [verzoeker 7] en [verzoeker 8], verzoekers V-nummers: [V Nummer 1] , [V Nummer 2] , [V Nummer 3] , [V Nummer 4] , [V Nummer 5] , [V Nummer 6] , [V Nummer 7] en [V Nummer 8] (gemachtigde: mr. S. Kalu), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekers om vergoeding van hun proceskosten. Verweerder heeft gereageerd op dit verzoek. Overwegingen
- De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
- De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
- Verzoekers zijn op 5 september 2022 in beroep gegaan, omdat verweerder niet tijdig heeft beslist op hun aanvraag. Op 14 november 2022 heeft verweerder alsnog een beslissing genomen op hun aanvraag. Verzoekers hebben daarna het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ingetrokken en daarbij de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten.
- Verweerder heeft op 12 januari 2023 gereageerd op het verzoek van verzoekers en aangegeven bereid te zijn een bedrag van € 418,50 te willen betalen.
- Omdat verweerder pas nadat verzoekers in beroep zijn gegaan een beslissing heeft genomen, krijgen verzoekers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Bpb is dit een vast bedrag omdat verzoekers een professionele (juridische) hulpverlener hebben ingeschakeld om voor hen een beroepschrift in te dienen.
- Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 0,5). Verzoekers zijn vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen. Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 418,
- Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van B.L. Duteweert, griffier. 17 januari 2023 De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Documentcode: [Documentcode] Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.