RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.1375 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. C.H. van den Berg), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S. Faddach). Procesverloop Bij besluit van 16 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2023 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen. Zijn gemachtigde heeft zich afgemeld. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
- Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum]
- Op 19 januari 2023 heeft verweerder de maatregel van bewaring opgeheven, omdat hiertoe van meet af aan onvoldoende gronden waren. Verweerder heeft eiser aangeboden een schadevergoeding te betalen en zijn proceskosten te voldoen, indien de opheffing van het bestreden besluit eiser aanleiding geeft om zijn beroep in te trekken. De gemachtigde van eiser heeft evenwel kenbaar gemaakt dat zij geen contact heeft kunnen krijgen met eiser. Om die reden heeft zij het beroep (nog) niet kunnen intrekken. Zolang deze situatie voortduurt, gaat de rechtbank ervan uit dat verweerder niet tot betaling van de toegezegde bedragen zal overgaan. Anders dan de rechtbank ter zitting heeft laten doorschemeren, is zij thans dus van oordeel dat eiser nog een belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep.
- Het is niet in geschil dat de gronden het bestreden besluit van meet af aan niet hebben kunnen dragen. Al om die reden slaagt het beroep en is het bestreden besluit vanaf 16 januari 2023 onrechtmatig geweest.
- De rechtbank kent eiser een schadevergoeding van € 400,- toe en veroordeeld verweerder voorts in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 837,-. Dit alles zoals ook al door verweerder berekend en aangeboden. Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 400,- te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 837,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier. De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op: 24 januari 2023 en is openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl Mr. R.J.A. Schaaf M.A.W.M. Engels Rechter Griffier Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland Documentcode: [documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.