← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2023:2602

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL22.24925 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] eiser, geboren op [geboortedatum], van Algerijnse nationaliteit, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 6 december 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft eiser een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer NL22.

  1. Hierop zal bij afzonderlijke uitspraak worden beslist. Overwegingen
  2. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
  3. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan op 8 november
  4. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard op 10 november
  5. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartegen aan dat het volgens hem onduidelijk is wanneer de overdracht zal plaatsvinden. Eiser wenst niet terug te keren naar Duitsland en is van mening dat Nederland zijn asielverzoek dient te behandelen.
  6. De rechtbank overweegt dat de enkele wens van eiser om in Nederland te blijven onvoldoende is om het beroep te kunnen laten slagen. Voor zover eiser een beroep doet op de discretionaire bevoegdheid van verweerder als bedoeld in artikel 17 van de Dublinverordening, oordeelt de rechtbank dat verweerder in de door eiser aangevoerde omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag van eiser aan zich te trekken. Er zijn geen bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt.
  7. Ten aanzien van eisers stelling dat onduidelijk is wanneer de overdracht aan Duitsland zal plaatsvinden, overweegt de rechtbank dat de uiterste overdrachtstermijn verstrijkt op 5 mei
  8. Niet valt in te zien dat verweerder onvoldoende tijd heeft om eiser, gelet op die uiterste overdrachtstermijn, op tijd over te dragen aan Duitsland. De beroepsgrond kan niet slagen.
  9. Het beroep is kennelijk ongegrond.
  10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van I. Wolthuis, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.