Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer jeugdstrafzaken Parketnummer: 09/122609-22 en 09/104455-21 Datum uitspraak: 17 januari 2023 Tegenspraak Vonnis (vul parketnummer in)van de rechtbank Den Haag in de (kies tussen de alternatieven)zaken tegen de verdachte: [verdachte] (hierna: de verdachte), geboren op [geboortedatum 1] te Zoetermeer, adres: [adres 1] 1Het onderzoek ter zitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 18 augustus 2022, 3 november 2022 (pro forma) en 13 december 2022 (inhoudelijke behandeling) en 3 januari 2023 (sluiting van het onderzoek). De officier van justitie in deze zaak is mr. A.L.M. de L’Isle en de advocaat van de verdachte is mr. R.G. Jagesar te Den Haag. De verdachte is op de zitting verschenen. 2De tenlastelegging De verdachte wordt er, samengevat, van beschuldigd dat hij op 15 mei 2022 in Zoetermeer samen met anderen met voorbedachten rade geprobeerd heeft [slachtoffer 1] van het leven te beroven (09/122609-22); op 16 april 2021 in Zoetermeer een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad (09/104455-21 feit 1); in de periode van 1 januari 2021 tot en met 16 april 2021 in Zoetermeer meerdere personen heeft opgelicht (09/104455-21 feit 2); in de periode van 1 januari 2021 tot en met 16 april 2021 in Zoetermeer verschillende geldbedragen en een paar schoenen heeft witgewassen (09/104455-21 feit 3); op 23 december 2021 in Zoetermeer [slachtoffer 2] heeft mishandeld (09/104455-21 feit 4). De volledige tekst van de tenlastelegging staat in bijlage I. 309/122609-22 Inleiding Op 15 mei 2022, omstreeks 14.35 uur, kwam bij de politie een melding binnen van een schietincident in een speeltuintje aan de Paganinirode in Zoetermeer. De melding hield in dat daar een jongen was neergeschoten. Ter plaatste troffen twee agenten het slachtoffer aan. Het slachtoffer bleek later te zijn genaamd [slachtoffer 1] (hierna ook: [slachtoffer 1] ). [slachtoffer 1] lag op de grond en bloedde hevig. Later bleek dat [slachtoffer 1] als gevolg van het schietincident verschillende verwondingen had opgelopen. Er was sprake van een schotwond in de linkerschouder en een schotwond in het rechterbovenbeen, met een beschadiging van de ondersleutelbeenaders (a. subclavia en v. subclavia), een klaplong (pneumothorax), een gebroken rib (Costa 2 fractuur) en een gebroken dijbeen (femurfractuur) tot gevolg. Voor deze letsels was direct chirurgisch ingrijpen noodzakelijk. [slachtoffer 1] is op dezelfde dag geopereerd in het Erasmus Medisch Centrum. Op basis van signalementen en herkenningen kwamen meerdere verdachten in beeld: [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] . Door het onderzoek naar de telecommunicatie van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] werd hun locatie achterhaald. Zij werden in de avond van 15 mei 2022 samen met [verdachte] in een auto aangetroffen en aangehouden. [medeverdachte 3] is de volgende dag, op 16 mei 2022, aangehouden. [slachtoffer 1] heeft na het incident niets willen verklaren aan de politie en ook heeft hij geen aangifte willen doen. Bij de rechter-commissaris heeft hij op 24 november 2022 wel een verklaring afgelegd, inhoudende dat [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op hem afliepen, en dat twee van hen hem hebben neergeschoten. De verdachte en de medeverdachten hebben zich in hun verhoren voornamelijk beroepen op hun zwijgrecht. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot moord of doodslag door op [slachtoffer 1] te schieten. 3.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde medeplegen van poging tot moord, door samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] het slachtoffer neer te schieten. Op specifieke standpunten van de officier van justitie zal hierna – voor zover relevant – nader worden ingegaan. 3.2 Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Zij heeft aangevoerd dat geen sprake is van medeplegen en dat de verdachte zelf geen aandeel heeft gehad in het feit. Het gegeven dat er forensisch bewijs is tegen de verdachte, aan de betrouwbaarheid waarvan moet worden getwijfeld, zegt niets over het al dan niet deelnemen aan het feit. Er is geen bewijs voor samenwerking tussen de verdachten. Van voorbedachte raad is geen sprake. Op specifieke (bewijs)verweren van de raadsvrouw zal hierna – voor zover relevant – nader worden ingegaan. 3.3 De beoordeling De rechtbank stelt op basis van de gebezigde bewijsmiddelen, die hierna in de bijlagen zullen worden weergegeven, het volgende vast. Op de camerabeelden is te zien dat [medeverdachte 3] om 14.24 uur zijn woning aan de [adres 2] verlaat en vertrekt op de fiets. Op dat moment heeft hij een zwarte schoudertas om. Om 14.26 uur loopt [slachtoffer 1] samen met [betrokkene 1] over de Paganinirode. Een minuut later komt [medeverdachte 1] in beeld die achter hen aanloopt. Om 14.29 uur lopen twee personen over de parkeerplaats aan de Lisztrode, uit de richting van de speeltuin en in de richting van de [adres 3] . Vlak daarna volgt een persoon op de fiets en daarna nog een persoon te voet. Ook zij gaan richting de [adres 3] . Even later, om 14.32 uur, komen [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] uit de richting van de [adres 3] en in de richting van de Lisztrode gelopen. Om 14.33 uur is op de beelden te zien dat zij gezamenlijk, dicht achter elkaar over de Lisztrode lopen, vanuit de richting van de [adres 3] en in de richting van de speeltuin aan de Paganinirode. Vanuit de tuin van het adres Pagaginirode 5 is er zicht op de speeltuin. Op de camerabeelden van Paganinirode 5 is te zien dat [slachtoffer 1] om 14.33 uur vanaf de linkerkant in beeld komt. Hij loopt achteruit. Vanuit dezelfde richting komen twee andere personen in beeld, die allebei hun arm in de richting van [slachtoffer 1] strekken. [slachtoffer 1] zakt in elkaar op de grond. De twee personen verdwijnen in dezelfde richting uit beeld als waar zij vandaan kwamen. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in de speeltuin op hem afliepen, dat [medeverdachte 2] hem een klap gaf en dat twee van hen hem hebben beschoten. Op de camerabeelden is om 14.35 uur te zien dat de vier personen die twee minuten eerder in de richting van de speeltuin liepen, nu uit die richting over de parkeerplaats aan de Lizstrode rennen in de richting van de [adres 3] . Getuige [getuige] heeft een groep jongens heen en weer zien rennen, en in de tussentijd heeft hij een knal gehoord. Op de beelden van [adres 3] 12 is te zien dat [verdachte] thuis komt. Hij draagt dan een zwarte schoudertas. Even later verlaat hij de woning weer, ditmaal in andere kleding. In zijn handen heeft hij de schoudertas en een gele Jumbotas. Op de camerabeelden van de Dunantstraat, het adres van [medeverdachte 2] , is te zien dat om 16.44 uur een grijze auto komt aanrijden. Vervolgens stappen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] uit de auto. [medeverdachte 1] heeft dan andere kleding aan dan op de eerdere beelden. In de lift wisselen zij schoenen met elkaar. Om 16.51 uur komen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] weer terug in de hal en stappen zij in de grijze auto. [medeverdachte 2] heeft dan andere kleding aan. Om 17.12 uur arriveren zij weer op de Dunantstraat, waarna [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] om 17.15 uur het pand weer verlaten en in de grijze auto stappen. [medeverdachte 2] heeft dan opnieuw andere kleding aan. Rond 22.15 uur worden [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aangehouden in Den Haag in een grijze Peugeot 206. Na onderzoek is in de auto een vuurwapen en munitie aangetroffen. Ook is tussen de voeten van [verdachte] een gele Jumbotas gevonden, met daarin de kleding die hij droeg op de camerabeelden. De politie heeft in de speeltuin waar [slachtoffer 1] is neergeschoten vier verschoten hulzen en twee kogelpatronen gevonden. Een van de hulzen is van het merk Auto 380, de andere munitie is van het merk S&B. Deze munitie, het in de auto aangetroffen vuurwapen en de in de auto aangetroffen munitie zijn vervolgens onderzocht op DNA en vingersporen. Op twee van de verschoten hulzen en de twee kogelpatronen uit de speeltuin is DNA gevonden dat met hoge waarschijnlijkheid van [medeverdachte 3] is. Het vuurwapen blijkt een omgebouwd gaspistool te zijn met een kaliber van 9 mm. In het vuurwapen zijn ook vijf kogelpatronen aangetroffen, van het merk S&B. Zowel op het vuurwapen als op één van die patronen is DNA gevonden dat met hoge waarschijnlijkheid van [verdachte] is. Ook is op het vuurwapen een duimafdruk van [verdachte] aangetroffen. Uit onderzoek van het NFI blijkt dat er aanwijzingen zijn dat een van de hulzen die op de plaats delict zijn gevonden, te weten de huls van het merk Auto 380, is verschoten met het vuurwapen dat in de auto is aangetroffen. De drie andere hulzen zijn met een ander, maar wel allemaal met hetzelfde vuurwapen verschoten. De doorlaadsporen op de op de plaats delict aangetroffen patronen zijn veroorzaakt door hetzelfde vuurwapen als de doorlaadsporen in de drie hulzen van het merk S&B. Het vuurwapen De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het wapen in de auto geen Zoraki, maar een Retay betrof. Door de politie is het vuurwapen als een Zoraki herkend, en het NFI heeft vastgesteld dat het vuurwapen mogelijk van het merk Retay is. Door de raadsvrouw is verzocht om het onderzoek naar het wapen van het bewijs uit te sluiten, omdat het - gezien deze tegenstrijdige bevindingen - een ondeugdelijk onderzoek betreft. Indien de rechtbank daartoe onvoldoende aanleiding ziet, is door de verdediging het voorwaardelijke verzoek gedaan om de onderzoekers te horen. De rechtbank overweegt als volgt. Het vuurwapen dat is aangetroffen in de auto waarin de verdachten zijn aangehouden, is onderzocht door zowel de politie als het NFI. De politie herkent het wapen als een vuurwapen van het merk Zoraki, terwijl het NFI vaststelt dat het mogelijk een vuurwapen van het merk Retay betreft. Het NFI stelt daarnaast vast dat de opschriften op het vuurwapen onleesbaar zijn gemaakt. Een merknaam is dus niet zichtbaar. Het enkele feit dat aan een wapen waarvan de merknaam is weggevijld door twee deskundigen een andere merknaam wordt toegedicht, maakt niet dat het onderzoek naar en aan het wapen ondeugdelijk is. Immers, zowel de politie als het NFI stellen vast dat het vuurwapen een omgebouwd gas-/alarmpistool is met een kaliber van 9 mm. De merknaam van het wapen is in het kader van deze zaak niet doorslaggevend. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de bevindingen omtrent het wapen en de munitie, en zal niet tot bewijsuitsluiting overgaan. Op dezelfde gronden zal de rechtbank het voorwaardelijk verzoek om de deskundigen te horen afwijzen, nu – behalve de verwijzing naar de merknaam – niet is onderbouwd dat het onderzoek ondeugdelijk of onbetrouwbaar is. De verklaring van de verdachte, dat het in de auto aangetroffen wapen bij hem thuis lag en dat hij dat ná het incident in de speeltuin thuis heeft gepakt en meegenomen, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Deze verklaring, die de verdachte pas voor het eerst ter terechtzitting heeft afgelegd, geeft immers geen verklaring voor het gegeven dat met dát wapen een projectiel is afgevuurd in de speeltuin, van het merk auto 380, hetgeen volgt uit de rapportage van de deskundige. Medeplegen? De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of er sprake is van medeplegen. De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard indien vast is komen te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af. In de telefoons van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] zijn meerdere screenshots van het dossier in het [onderzoek] aangetroffen. In dat onderzoek is [medeverdachte 3] een van de slachtoffers en is [slachtoffer 1] een van de veroordeelden. De rechtbank gaat er om die reden vanuit dat het motief van onderhavig schietincident is gelegen in het [onderzoek] . Ook blijkt uit onderzoek aan de telefoons van de verdachten dat zij elkaar allemaal kennen. Uit de bewijsmiddelen, zoals hiervoor omschreven, valt vast te stellen dat de verdachten op 15 mei 2022, zeer kort nadat [medeverdachte 1] achter het slachtoffer aan loopt, met zijn vieren richting de [adres 3] gaan, waar [verdachte] woont, en vervolgens gezamenlijk, met zijn vieren naar de speeltuin gaan. Uit de verklaring van [slachtoffer 1] volgt dat de verdachten wederom gezamenlijk, met zijn vieren op hem af komen, dicht bij hem staan en dat [medeverdachte 2] hem een klap geeft. Vrijwel direct wordt op hem geschoten. Naar de uiterlijke verschijningsvormen hebben de verdachten gezamenlijk, als groep, de confrontatie met [slachtoffer 1] opgezocht. Daarbij zijn – zo volgt uit het forensisch onderzoek – in ieder geval twee vuurwapens gebruikt. Of [slachtoffer 1] door kogels uit een of beide vuurwapens is geraakt, is naar het oordeel van de rechtbank niet relevant: er is met twee vuurwapens, door twee van de verdachten, meerdere malen gericht op het slachtoffer geschoten. De rechtbank kan niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen wie de schutters waren. Dat leidt echter niet tot vrijspraak omdat er hier – naar het oordeel van de rechtbank – sprake is van medeplegen. De verdachte is met de drie medeverdachten voorafgaand aan het feit samen geweest, eerst weg van de speeltuin en later weer richting de speeltuin. Hij is gezamenlijk met hen – naar uiterlijke verschijningsvormen – doelgericht naar de speeltuin gelopen, waarbij zij meteen en gezamenlijk de confrontatie met [slachtoffer 1] hebben opgezocht. De eerst ter zitting afgelegde verklaring van de verdachte, dat hij niet de speeltuin is ingegaan, is ongeloofwaardig in het licht van de verklaring van [slachtoffer 1] en de bevindingen op de camerabeelden. De rechtbank gaat aan die verklaring voorbij. Naar algemene ervaringsregels en zoals blijkt uit de achtergrond van dit conflict is naar het oordeel van de rechtbank de kans aanmerkelijk dat bepaalde groepen jongeren bewapend met messen en zelfs vuurwapens de confrontatie met elkaar opzoeken. Naar de ervaring leert worden deze wapens niet zelden ook daadwerkelijk gebruikt. In deze zaak zijn tenminste twee vuurwapens meegenomen en ook afgeschoten. De verdachte maakte actief deel uit van het groepje van vier personen dat de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht. Het kan hem niet ontgaan zijn dat daarbij vuurwapens zijn meegenomen. Minst genomen had hij daar – gezien de achtergrond van het conflict – rekening mee moeten houden. Er is dus sprake van gezamenlijk meenemen van vuurwapens naar de confrontatie met [slachtoffer 1] . De verdachte moet op enig moment vlak voor of na het beschieten van [slachtoffer 1] één van die vuurwapens in handen hebben gehad. De verdachten zijn vervolgens gezamenlijk naar de speeltuin gegaan en hebben gezamenlijk de confrontatie met [slachtoffer 1] gezocht waarbij [medeverdachte 2] [slachtoffer 1] ook een klap heeft gegeven. Nadat [slachtoffer 1] is neergeschoten, zijn de verdachten op hetzelfde moment en gezamenlijk weggevlucht. Op de beelden is te zien dat [verdachte] de zwarte schoudertas bij zich had, die eerder door [medeverdachte 3] was meegenomen. De verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben na het schietincident hun kleding gewisseld, en zij zijn diezelfde avond met elkaar aangehouden, waarbij een vuurwapen is gevonden dat bij het feit is gebruikt. De verklaring van [verdachte] , inhoudende dat zijn vingerafdrukken zijn gevonden op het aangetroffen vuurwapen omdat hij het wapen pas ná het schietincident uit huis heeft gehaald, vindt de rechtbank in het licht van het bewijs ongeloofwaardig, zoals hiervoor is overwogen. De rechtbank concludeert dat al het handelen van de verdachte en de medeverdachten zoals hiervoor beschreven, naar haar uiterlijke verschijningsvorm het karakter van een samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten draagt. Een aannemelijke verklaring van de verdachte of van de medeverdachten, die de redengevendheid van het bewijs ontkracht, ontbreekt. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat sprake is geweest van een gezamenlijke aanval, waarbij de verdachte en de medeverdachten zich van elkaars geweldshandelingen bewust moeten zijn geweest. Het voorgaande getuigt van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking met het doel om [slachtoffer 1] neer te schieten, dat er sprake is van medeplegen. Het is daarbij niet van belang door wie is geschoten. Tegen de achtergrond van het voorgaande dient de rechtbank vervolgens de vraag te beantwoorden hoe het handelen van de verdachte en zijn medeverdachten moet worden gekwalificeerd. Poging tot moord? De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en om zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat [slachtoffer 1] met voorbedachte raad is neergeschoten. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. In het dossier is geen enkele aanwijzing te vinden dat er sprake was van een vooropgezet plan om [slachtoffer 1] iets aan te doen, vóór het moment waarop [slachtoffer 1] op 15 mei 2022 in Zoetermeer aankwam. Er zijn geen aanwijzingen dat al eerder op de dag of zelfs in de dagen voorafgaand aan het schietincident sprake is geweest van een voornemen of een plan. Het lijkt er, gelet op de informatie die in het dossier is aangetroffen, eerder op, dat pas nadat [slachtoffer 1] in Zoetermeer liep en [medeverdachte 1] hem kennelijk daar heeft gezien, een haastig plan is gemaakt om bij elkaar te komen en verhaal te halen. Tussen het moment dat [medeverdachte 1] [slachtoffer 1] heeft zien lopen en het schieten in de speeltuin zitten hoogstens tien minuten. Hoewel dat theoretisch gezien genoeg tijd zou kunnen zijn om zich te beraden op consequenties, mede omdat er twee vuurwapens werden meegenomen, ziet de rechtbank in de gang van zaken zoals hiervoor beschreven eerder aanwijzingen dat het feit het gevolg is van een spontaan, ter plekke gemaakt plan wat meteen en zonder veel nadenken ten uitvoer is gebracht. De verdachten hebben elkaar kort voor het schietincident ontmoet, waarna zij direct naar de speeltuin zijn gegaan. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het moment van zich daadwerkelijk beraden en gelegenheid voor bezinning in deze ontbreekt. De besluitvorming en de uitvoering zijn tot stand gekomen in een zodanig korte tijdspanne, dat niet kan worden bewezen verklaard dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. De rechtbank zal daarom de verdachte vrijspreken van het medeplegen van een poging tot moord. Poging tot doodslag? De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de verdachte opzet heeft gehad op de mogelijke dood van [slachtoffer 1] en zich dus schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. De rechtbank stelt op grond van de bovengenoemde feiten en omstandigheden vast dat [slachtoffer 1] van korte afstand en meerdere malen is beschoten, door twee van de vier verdachten uit het groepje waarvan de verdachte actief deel uitmaakte. De handelingen van de verdachte en zijn medeverdachten, naar de uiterlijke verschijningsvorm bezien en gelet op de aard en ernst van het bij [slachtoffer 1] veroorzaakte letsel, kunnen niet anders worden uitgelegd dan als te zijn gericht op het toebrengen van dodelijk letsel. Er is immers meermalen gericht geschoten met scherpe munitie op een persoon die dicht bij staat. Het is een feit van algemene bekendheid dat het afvuren van kogels met een vuurwapen, zeker op relatief korte afstand, op het (boven)lichaam tot de dood kan leiden. De rechtbank concludeert op grond hiervan dat de verdachte opzet, minst genomen in voorwaardelijke vorm, heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] . Conclusie Het voorgaande, in samenhang bezien, leidt tot het oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag. In bijlage II heeft de rechtbank de bewijsmiddelen opgenomen. 409/10445-21 4.1 09/104455-21 feit 1 (WWM) en feit 4 (mishandeling); beoordeling Het onder 09/104455-21 feit 1 en feit 4 tenlastegelegde kan zonder nadere motivering bewezen worden verklaard. De verdachte heeft dit feit bekend en op zitting is door de verdediging geen vrijspraak bepleit. De bewezenverklaring volgt uit de bewijsmiddelen zoals opgenomen in bijlage II. Ten aanzien van deze feiten heeft de rechtbank volstaan met een opsomming, nu de verdachte deze feiten heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. 4.2 09/104455-21 09/104455-21 feit 2, oplichting; standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 09/104455-21 feit 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. In de slaapkamer van de verdachte zijn drie telefoons aangetroffen. In twee van die telefoons is aan het Whatsappaccount steeds hetzelfde telefoonnummer gekoppeld als in de derde telefoon, de eigen telefoon van de verdachte. Op deze twee telefoons zijn verschillende vrouwennamen aan verschillende accounts gekoppeld. De verdachte doet zich onder meer voor als ‘ [naam 1] ’, onder welke naam hij advertenties plaatst op een sekssite, mannen geld laat overmaken of opsturen en foto’s van hun ID-bewijs laat sturen. Vanaf de iPhone 6s zijn Tikkies verstuurd aan deze mannen, voor een totaalbedrag van €875,00. Op de iPhone SE zijn veel foto’s van rijbewijzen en identiteitskaarten van mannen aangetroffen, net als screenshots van Tikkie-betaalverzoeken. Het rekeningnummer dat is gekoppeld aan de verzonden Tikkies, is zonder toestemming op naam van [betrokkene 2] geopend. 4.3 09/104455-21 09/104455-21 feit 2, oplichting; standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft vrijspraak van het onder 09/104455-21 feit 2 tenlastegelegde bepleit. De verdachte heeft de iPhone 6s en iPhone SE niet in gebruik gehad. Het telefoonnummer van de verdachte zou gekoppeld zijn aan de Whatsappaccounts van de iPhone 6s en iPhone SE. Maar het is feitelijk onmogelijk om met Whatsapp aan één telefoonnummer twee namen te koppelen. De verdediging stelt om die reden dat het onderzoek niet juist is uitgevoerd en verzoekt om de resultaten hiervan uit te sluiten van het bewijs. Daarnaast zijn de telefoons in een slaapkamer aangetroffen die niet van de verdachte is. Er is dan ook geen aanknopingspunt dat de telefoons van de verdachte moeten zijn. Van de aan de Tikkies gekoppelde bankrekening kan niet worden vastgesteld dat deze door de verdachte wordt gebruikt. Er worden namelijk contactloze betalingen gedaan op het Stedelijk College, een school waar de verdachte niet op zit en evenmin komt. 4.4. 09/104455-21 09/104455-21 feit 2, oplichting; de beoordeling De rechtbank stelt aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast. In de slaapkamer waar de verdachte sliep zijn een iPhone 7Plus, een iPhone 6s en een iPhone SE aangetroffen. De iPhone 7Plus is de telefoon die de verdachte in gebruik heeft. Aan deze telefoon is het telefoonnummer [telefoonnummer 1] verbonden. Dit nummer is ook gekoppeld aan Whatsapp op deze telefoon. Op de iPhone 6s en de iPhone SE is ditzelfde telefoonnummer aan Whatsapp gekoppeld. De raadsvrouw heeft gesteld dat het onmogelijk is om meerdere namen aan één telefoonnummer te koppelen. Uit het dossier blijkt echter niet dat er met Whatsapp verschillende namen aan een telefoonnummer zijn gekoppeld. Daaruit blijkt slechts dat het account [telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net op alle drie de telefoons wordt gebruikt. Alleen op de iPhone 6s is een Whatsappaccount met een gebruikersnaam aangetroffen, te weten [naam 1] . De rechtbank ziet dan ook in hetgeen de raadsvrouw heeft gesteld geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de politie, noch om deze bevindingen van het bewijs uit te sluiten. Zowel op de iPhone 6s als de iPhone SE is een veelvoud aan verstuurde berichten gevonden waarbij de gebruiker zich onder meer voordoet als [naam 1] . In deze berichten wordt seks aangeboden en worden afspraken voor seks gemaakt. Vervolgens wordt door ‘ [naam 1] ’ aan de ontvangers gevraagd om geld over te maken dan wel om een foto van een identiteitsbewijs te sturen. De rechtbank stelt, gelet op het voorgaande, vast dat alle drie de telefoons van de verdachte zijn en dat het dus de verdachte is geweest die zich in berichten en communicatie met anderen heeft voorgedaan als [naam 1] . In de iPhone 6s zijn meerdere transacties via Tikkies aangetroffen, en in de iPhone SE screenshots van betaalde Tikkie-verzoeken. Het is onbekend gebleven door wie deze Tikkies zijn betaald. De betaalde Tikkies zijn gestort op een rekeningnummer dat op naam blijkt te staan van [betrokkene 2] . Of en hoe de verdachte het geld heeft ontvangen, kan niet uit het dossier worden afgeleid. Voor een bewezenverklaring van de tenlastegelegde oplichting is dat echter ook niet strikt noodzakelijk, nu het hier ook het afgeven van ID-gegevens betreft. Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid jegens meerdere onbekend gebleven slachtoffers en een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen, waardoor deze zijn bewogen tot het betalen van een of meerdere geldbedragen en het verstrekken van een foto van een rijbewijs of ID-bewijs. Met betrekking tot de ten laste gelegde periode overweegt de rechtbank dat uit het dossier niet kan worden opgemaakt dat de verdachte zich gedurende de gehele ten laste gelegde periode schuldig heeft gemaakt aan oplichting. Uit het dossier leidt de rechtbank af dat er in de periode van 13 maart 2021 tot 5 april 2021 transacties zijn uitgevoerd. De rechtbank heeft de bewezenverklaarde periode in zoverre beperkt. 4.5 09/104455-21 09/104455-21 feit 3, witwassen; standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 09/104455-21 feit 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. De moeder en de zus van de verdachte hebben verklaard dat hij mensen heeft opgelicht met seksadvertenties, dat hij daar geld mee heeft verdiend en dat hij dure schoenen heeft gekocht zonder dat hij een bijbaantje heeft. De verdachte heeft verklaard dat hij deze schoenen heeft gekocht van het geld dat hij van zijn vader kreeg, maar zijn vader kan zich niet meer herinneren hoeveel geld hij hem gaf. Gezien deze verklaringen, en de verdachte Tikkies in maart en april ten bedrage van €875,00, die verstuurd zijn vanaf de telefoon van de verdachte, is het veel waarschijnlijker dat [verdachte] de schoenen met dat geld, afkomstig uit misdrijf, heeft betaald, dan de verklaring die hij daar zelf voor geeft. 4.6 09/104455-21 09/104455-21 feit 3, witwassen ; standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 09/104455-21 feit 3 tenlastegelegde. Het dossier biedt geen enkel aanknopingspunt dat de verdachte op enige wijze toegang heeft gehad tot de bankrekening waaraan de Tikkies betaald zijn, en dat de verdachte deze bedragen zou hebben kunnen verwerven of voorhanden heeft gehad. Ook ontbreken aanknopingspunten dat de schoenen van de verdachte gekocht zijn met uit oplichting verkregen gelden. Integendeel, de verdachte heeft verklaard dat hij de schoenen heeft gekocht van het geld dat hij van zijn vader kreeg in de tijd dat hij daar woonde. 4.7 09/104455-21 09/104455-21 feit 3, witwassen; beoordeling De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van €875,00 en van de schoenen. Daarbij neemt de rechtbank het volgende in overweging. Hoewel op de telefoon die in de slaapkamer van de verdachte is gevonden, Tikkies zijn aangetroffen voor een bedrag van in totaal €875,00, kan op basis van het dossier niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat het rekeningnummer waar de Tikkies aan zijn betaald, aan de verdachte toebehoorde of dat hij daar toegang toe had. Evenmin kan op basis van het dossier buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de schoenen zijn gekocht met uit enig misdrijf verkregen gelden. Naar de verklaring van de vader van de verdachte, die gaat over het geven van kleedgeld aan de verdachte, is bovendien geen nader onderzoek gedaan. Het voorgaande leidt er toe dat er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. De verdachte zal dan ook van het onder 09/104455-21 feit 3(vul de feitaanduidingen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.