RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 21/4473 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2023 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. T. Ertekin), en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder (gemachtigde: mr. E.H. Buizert). Procesverloop In het besluit van 1 februari 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld. In het besluit van 31 mei 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 15 december 2022 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Overwegingen
- De kern van het geschil ziet op de vraag of verweerder redelijkerwijs heeft kunnen besluiten eisers aanvraag om bijstand op grond van de Pw niet in behandeling te nemen.
- De rechtbank overweegt als volgt.
- Een aanvrager is verantwoordelijk voor het overleggen van voldoende gegevens en bescheiden (hierna tezamen: informatie) voor de beoordeling van een aanvraag. Als onvoldoende informatie wordt overgelegd, kan het bestuursorgaan besluiten een aanvraag niet in behandeling te nemen. Wel moet het bestuursorgaan de aanvrager eerst in de gelegenheid stellen binnen een bepaalde termijn alsnog de informatie te verstrekken. Pas als de aanvrager binnen die termijn de gevraagde informatie niet aanlevert, is het bestuursorgaan bevoegd om de aanvraag niet in behandeling te nemen. Bij het aanvragen van bijstand op grond van de Pw geldt in het bijzonder dat het voor een bestuursorgaan noodzakelijk is om inzicht te krijgen in de financiële situatie van de aanvrager om te kunnen beoordelen of hij recht heeft op bijstand, bijvoorbeeld door het inzien van bankafschriften.
- Eiser heeft op 30 december 2020 een bijstandsuitkering op grond van de Pw aangevraagd. In de brief van 5 januari 2021 heeft verweerder toegelicht dat hij meer informatie van eiser nodig heeft om zijn aanvraag te behandelen, waaronder alle bankafschriften van betaal- en spaarrekeningen in de periode van 1 januari 2020 tot en met 5 januari
- Eiser heeft hiervoor twee weken de tijd gekregen. Binnen die hersteltermijn heeft eiser weliswaar bankafschriften overgelegd, maar niet van de gehele periode. Van drie periodes heeft eiser geen bankafschriften overgelegd, namelijk van 1 tot en met 8 januari 2020, van 9 juni tot en met 7 september 2020, en van 8 december 2020 tot en met 5 januari
- Eiser heeft noch in het beroepschrift noch tijdens de zitting uitgelegd waarom de bankafschriften van deze periodes ontbreken. Ook heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat was om die informatie binnen de hersteltermijn aan te leveren. Onder deze omstandigheden had verweerder onvoldoende inzicht in de financiële situatie van eiser. Daarom was verweerder bevoegd de aanvraag niet in behandeling te nemen, en heeft hij hiertoe redelijkerwijs kunnen besluiten.
- Het beroep is ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.E.F. Reijnders, rechter, in aanwezigheid van mr.S.M. Kraan, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 januari
- griffier rechter De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen. Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Artikel 4:5, eerste lid, van de Awb.