RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: AWB 22/7565 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2023 in de zaak tussen [eiser] , eiser, geboren op [geboortedatum] , van Belarussische nationaliteit, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. H. Meijerink), en het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa), verweerder (gemachtigde: mr. L.O. Augustinus). Inleiding Bij besluit van 9 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder besloten om eiser per die datum op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005) te plaatsen in een Handhaving en Toezichtlocatie (HTL) te Hoogeveen (het plaatsingsbesluit). Eiser heeft tegen het plaatsingsbesluit beroep ingesteld. Op 5 december 2022 is eiser vrijwillig vertrokken uit de HTL. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart
- De gemachtigde van eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Beoordeling door de rechtbank Eiser is met onbekende bestemming vertrokken. Hij heeft ook geen contact onderhouden met zijn gemachtigde. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op behandeling van het namens hem ingediende beroep tegen het plaatsingsbesluit. Daarbij acht de rechtbank relevant dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel is ingetrokken zodat de vraag of eiser mogelijk recht heeft op schadevergoeding over de periode dat hij in zijn vrijheid beperkt is geweest niet ter beoordeling staat. Om deze reden is het beroep niet-ontvankelijk en bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. J Boerlage-van den Bosch, rechter, in aanwezigheid van mr. M.B.A. Mensink, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 maart
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.