← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2023:3809

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.4746 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V nummer] (gemachtigde: mr. A.K.E. van den Heuvel), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: I. Vugs). Procesverloop Bij besluit van 14 februari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 14 maart 2023 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen

  1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland vastgesteld dat Zwitserland het verantwoordelijke land is en dus bij Zwitserland een verzoek om terugname gedaan. Zwitserland heeft dit verzoek aanvaard.
  2. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser is getrouwd met een Nederlandse vrouw. Het huwelijk is mondeling voltrokken door een imam in de moskee. Dit is een bijzondere omstandigheid die maakt dat overdracht aan Zwitserland in zijn geval van een onevenredige hardheid getuigt. Eiser heeft op 14 maart 2023 om 13.45 uur, vóór het bestreden besluit werd genomen om 17.07 uur, aanvullende stukken ingediend ter onderbouwing van het huwelijk. In de begeleidende brief is aangegeven dat de partner van eiser wenst te worden gehoord indien verweerder het huwelijk ongeloofwaardig zou achten. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de gestelde aanwezigheid van een echtgenote in Nederland niet voldoende is om te concluderen dat er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden. Verweerder is daarbij niet ingegaan op de nadere stukken en op de wens van zijn echtgenote om gehoord te worden. Verder heeft verweerder enkel genoemd dat eiser en zijn echtgenote niet volledig samenwonen, zonder aan te geven waarom dit afbreuk doet aan de bijzondere omstandigheid dat hij gehuwd is met een Nederlandse. Het oordeel van verweerder om geen toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening is hiermee onvoldoende gemotiveerd.
  3. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat eiser in de zienswijze van 13 februari 2023 om een termijn van twee werkdagen heeft verzocht om aanvullende stukken te overleggen. Verweerder is in het bestreden besluit niet ingegaan op het verzoek van eiser om een termijn van twee dagen, en ook niet op de aanvullende stukken en de wens van de gestelde echtgenote om gehoord te worden. Deze handelswijze van verweerder is onzorgvuldig. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit zorgvuldigheidsgebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat eiser door dit gebrek niet is benadeeld. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat eiser ook met de aanvullende stukken, namelijk foto’s en verklaringen van de gestelde echtgenote en haar kinderen, het gestelde huwelijk niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij komt dat, ook als verweerder de gestelde relatie aannemelijk zou achten, het enkele bestaan van een gezinsband onvoldoende aanleiding is om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in de uitspraak van 1 april 20201 in dit verband overwogen dat de Dublinverordening niet bedoeld is als middel om gezinshereniging te realiseren en dat de vreemdeling hiervoor een reguliere aanvraag kan indienen. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is om de asielaanvraag in behandeling te nemen met toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening.
  4. Het beroep is ongegrond.
  5. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Dit vanwege het geconstateerde gebrek zoals is overwogen in rechtsoverweging
  6. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837,00 en een wegingsfactor 1).
  7. ECLI:NL:RVS:2020:
  8. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674,
  9. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 20 maart 2023 Documentcode: [Documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.