← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2023:3896

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 22/2654 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2023 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser en de minister van Financiën, (gemachtigde: mr. [A]). Procesverloop Bij besluit van 16 september 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om inzage in het systeem Fraude Signalering Voorziening (FSV) op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) gehonoreerd. Bij uitspraak van 11 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De zitting was op 8 maart 2023 met behulp van een beeldverbinding. Eiser was aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Beoordeling Wat heeft eiser verzocht?

  1. Eiser heeft verzocht om inzage in zijn persoonsgegevens die in het systeem FSV van de Belastingdienst staan geregistreerd. Wat heeft verweerder besloten?
  2. Verweerder heeft het verzoek van eiser aangemerkt als een verzoek om inzage in zijn persoonsgegevens als bedoeld in de AVG. Verweerder heeft vastgesteld dat eiser in de jaren 2011, 2013 en 2014 in het FSV is geregistreerd en heeft hem inzage verleend in zijn persoonsgegevens. Wat vindt eiser in beroep?
  3. Eiser stelt dat verweerder er bij het bestreden besluit ten onrechte van uit is gegaan dat hij alleen in de jaren 2011, 2013 en 2014 in het FSV is geregistreerd. Hij geeft aan dat hij ook in de jaren 2015 t/m 2020 in het FSV is geregistreerd en wil dat verweerder hem ook in zoverre inzage verschaft in zijn persoonsgegevens. Wat is het oordeel van de rechtbank?
  4. Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat degene die stelt dat er meer persoonsgegevens moeten zijn, nadat het bestuursorgaan onderzoek naar die persoonsgegevens heeft gedaan en niet ongeloofwaardig heeft medegedeeld dat er niet meer persoonsgegevens zijn, aannemelijk moet maken dat er wel meer persoonsgegevens zijn.
  5. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de persoonsgegevens van eiser met betrekking tot de jaren 2015 t/m 2020 niet in het FSV voorkomen. In dit kader heeft verweerder toegelicht dat de vermelding van de code 1043 op de brieven die eiser over deze jaren heeft ontvangen, anders dan door eiser is gesteld, niet betekent dat hij in het FSV is geregistreerd, maar dat dit een code is die - om verschillende redenen - aan een individuele aangifte gekoppeld kan worden en inhoudt dat die aangifte ‘handmatig’ wordt beoordeeld. De rechtbank acht deze verklaring van verweerder niet ongeloofwaardig en wijst daarbij naar haar uitspraak van 20 oktober 2022 (SGR 21/4410 en 21/7009) naar aanleiding van beroepschriften van eiser. Eiser heeft geen verdere feiten en omstandigheden aangedragen die, ondanks deze verklaring van verweerder, aannemelijk maken dat zijn persoonsgegevens met betrekking tot de jaren 2015 t/m 2020 in het FSV voorkomen. Het enkele feit dat hij in de jaren 2011, 2013 en 2014 wel in het FSV is geregistreerd, is hiervoor niet voldoende. Het betoog van eiser slaagt niet.
  6. Het beroep is ongegrond. Verweerder hoeft de kosten die eiser heeft gemaakt voor deze procedure niet te vergoeden. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr.J.F. Janmaat, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 maart
  7. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 januari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:148).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.