← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2023:3970

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.7543 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. D. de Vries), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder Procesverloop Verweerder heeft op 23 december 2022 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 20 maart 2023 gesloten. Overwegingen

  1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Tunesische nationaliteit te hebben.
  2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
  3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 7 februari 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:1507) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, 1 februari 2023, de maatregel van bewaring rechtmatig is.
  4. Eiser voert aan dat er geen zicht is op uitzetting naar Tunesië binnen een redelijke termijn. Eiser verblijft sinds 15 december 2022 in bewaring en verweerder heeft sindsdien enkel schriftelijk gerappelleerd bij de Tunesische autoriteiten.
  5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Tunesië ontbreekt. Verweerder heeft op 28 december 2022 een aanvraag voor een laissez-passer (lp) voor eiser ingediend bij de autoriteiten van Tunesië. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten gegeven voor het oordeel dat niet langer sprake is van zicht op uitzetting. De enkele omstandigheid dat op de lp-aanvraag en het rappel van verweerder nog niet is gereageerd door de Tunesische autoriteiten, is daarvoor in dit stadium onvoldoende. Bovendien is niet gebleken dat de Tunesische autoriteiten aan eiser geen lp zullen verstrekken. De beroepsgrond van eiser slaagt dan ook niet.
  6. De rechtbank ziet ten slotte ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
  7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
  8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 in de gevoegde zaken C-704/20 en C-39/21.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.