← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2023:4006

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.21117 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: M. Schaap). Procesverloop Eiser heeft op 18 oktober 2022 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 13 februari

  1. Bij besluit van 24 januari 2023 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser ingewilligd. Desgevraagd heeft eiser meegedeeld het beroep te handhaven met het oog op de vraag of verweerder bestuurlijke dwangsommen heeft verbeurd. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. Overwegingen
  2. In aanvulling op de gronden in beroep, die eiser handhaaft, verwijst hij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 6 januari 2023, ter onderbouwing van zijn stelling dat de gronden terecht zijn ingenomen en de ingebrekestelling en het beroep tijdig zijn ingediend.
  3. Voor zover het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag van eiser, dient te worden vastgesteld dat met de inwilliging van deze aanvraag aan het beroep is tegemoetgekomen zodat eiser gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb in zoverre geen procesbelang meer heeft.
  4. Voor zover het beroep is gericht op het vaststellen van een rechterlijke dwangsom, stelt de rechtbank vast dat verweerder een besluit op de asielaanvraag heeft genomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder op te dragen een (nieuw) besluit te nemen of om een andere handeling te verrichten. Daarom zal ook geen toepassing worden gegeven aan artikel 8:72, zesde lid, van de Awb.
  5. Eiser handhaaft zijn beroep voor zover verweerder in het besluit van 24 januari 2023 heeft geconcludeerd dat hij aan eiser geen bestuurlijke dwangsommen is verschuldigd. De Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Tijdelijke wet) sluit uit dat de artikelen 4:17 tot en met 4:19 en 8:55c van de Awb worden toegepast op besluiten op asielaanvragen. Het gevolg hiervan is dat verweerder aan eiser geen bestuurlijke dwangsommen kan verbeuren.
  6. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 30 november 2022 geoordeeld dat er geen aanleiding is voor de conclusie dat de Tijdelijke wet op dit punt onverbindend moet worden geacht wegens strijd met het Unierecht.
  7. Nu artikel 1 van de Tijdelijke wet in dit geval de mogelijkheid van een bestuurlijke dwangsom uitsluit, kan eiser met het beroep niet bereiken wat hij wil, zodat ook in zoverre het procesbelang ontbreekt.
  8. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
  9. Omdat eiser vanwege het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag terecht beroep heeft ingesteld, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 418,50, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837 en vermenigvuldigd met een wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep niet-ontvankelijk; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 418,50 (vierhonderdachttien euro en vijftig cent). Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S. van der Velde, griffier, en bekend gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. ECLI:NL:RBDHA:2023:136 ECLI:NL:RVS:2022:3352

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.