← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2023:471

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.338 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. A. Dogan), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. J. Raaijmakers). Procesverloop Bij besluit van 3 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 11 januari 2023 op zitting behandeld in Breda. Met een beeldverbinding hebben deelgenomen eiser, zijn gemachtigde en de tolk H. Barzizaoua. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen

  1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2003 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben. Maatregel van bewaring
  2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Als zware gronden staat in de maatregel vermeld dat eiser:  3 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;  3 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;  3 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; En als lichte gronden staat in de maatregel vermeld dat eiser:  4 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;  4 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
  3. Eiser betwist in beroep alle zware gronden en de lichte grond 4d. Hij stelt hiertoe dat hij een asielaanvraag heeft ingediend en om die reden nooit op de voorgeschreven wijze Nederland kan binnenkomen. Eiser meent zich nimmer aan het toezicht te hebben onttrokken. Dat hij eenmalig in de trein is aangetroffen, acht hij onvoldoende om aan te nemen dat hij zich aan het toezicht heeft onttrokken. Verder stelt eiser dat hij voldoende heeft meegewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit, omdat hij alle vragen heeft beantwoord die ten aanzien hiervan aan hem zijn gesteld. Tot slot is eiser van mening dat hij met de € 70 die bij hem is aangetroffen de dag door kon brengen en daarom voldoende middelen van bestaan had.
  4. De rechtbank oordeelt dat de zware grond 3a feitelijk juist is en daarom terecht aan de maatregel ten grondslag is gelegd. In de maatregel van bewaring is immers terecht overwogen dat eiser zonder vereiste documenten naar Nederland is gekomen. Verder heeft eiser asiel gevraagd in Zwitserland en is daarna naar Nederland doorgereisd, terwijl hij als asielzoeker niet mocht reizen binnen Europa. Verweerder heeft evenzeer terecht de zware grond 3b aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd. Eiser werd zonder vervoerbewijs aangetroffen in de trein naar Nederland en had zich eerder niet gemeld. Deze zware gronden tezamen zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Verweerder heeft op grond hiervan terecht een significant risico aangenomen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De beroepsgronden tegen de zware grond 3d en lichte grond 4d behoeven dan ook geen bespreking. Ambtshalve toets
  5. Ook ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Conclusie
  6. De maatregel van bewaring is terecht aan eiser opgelegd. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
  7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Verordening (EU) nr. 604/
  8. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb. HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.