RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.8845 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. M.J. Paffen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft op 30 januari 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft daarop gereageerd. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 30 maart
- Overwegingen
- Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1987 en de Surinaamse nationaliteit te hebben.
- Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
- De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 14 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:1858, volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, 8 februari 2023, de maatregel van bewaring rechtmatig is.
- Eiser stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Sinds er uitspraak is gedaan op zijn eerste beroep tegen de maatregel van bewaring is slechts één vertrekgesprek met eiser gevoerd en is de LP-aanvraag maar twee maal gerappelleerd bij de Surinaamse autoriteiten. Er is nog geen presentatie gepland voor eiser bij de Surinaamse vertegenwoordiging en er zijn weinig tot geen concrete uitzettingshandelingen verricht. Ook meent eiser dat er geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn is. Hij verwijst daarbij naar een overzicht van DT&V over de gemiddelde doorlooptijden in 2018 tot en met 2021 voor het verkrijgen van LP’s van verschillende landen. In dit overzicht wordt vermeld dat de gemiddelde doorlooptijd in het geval van Suriname in 2018 184 dagen bedroeg, 98 dagen in 2019, 89 dagen in 2020 en 378 dagen in
- Eiser stelt daarom dat verweerder meer informatie dient te verschaffen over de doorlooptijden en afgiftes van LP’s in
- Eiser wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. De rechtbank stelt vast dat verweerder (sinds het sluiten van het onderzoek op 8 februari 2023) met eiser op 2 maart 2023 een vertrekgesprek heeft gevoerd en daarnaast op 24 februari en 15 maart 2023 schriftelijk heeft gerappelleerd over de aanvraag voor een LP bij de Surinaamse autoriteiten. Uit het verslag van het vertrekgesprek blijkt overigens dat eiser niets heeft ondernomen om zijn vertrek naar Suriname te bespoedigen. Hij weet niet waar zijn paspoort is. Ook heeft hij aangegeven zich niet bezig te houden met zijn terugkeer, maar juist mogelijkheden te onderzoeken om in Nederland te kunnen blijven.
- De rechtbank stelt vast dat eiser in het eerste beroep tegen de maatregel van bewaring ook een beroep heeft gedaan op de overgelegde documentatie van DT&V. Deze documentatie biedt echter geen enkele context. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft bij uitspraak van 14 februari 2023 geoordeeld dat zicht op uitzetting naar Suriname gegeven is, en dat de documentatie waar eiser naar verwijst geen aanknopingspunten biedt om hieraan te twijfelen. De Afdeling heeft deze uitspraak in hoger beroep bevestigd. Eiser wordt dan ook niet gevolgd in zijn standpunt dat geen sprake is van zicht op uitzetting naar Suriname.
- Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de bewaring onrechtmatig is.
- Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Vreemdelingenwet
- Laissez-passer. Dienst Terugkeer en Vertrek. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Uitspraak van 16 maart 2023, zaaknummer 202301044/1/V3 (niet gepubliceerd). Op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 in de gevoegde zaken C-704/20 en C-39/21.