← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2023:4929

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL23.5222 V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser (gemachtigde: mr. S. Thelosen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: L. Raijmakers). Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft daarop gereageerd. De rechtbank doet uitspraak zonder een zitting te houden. Overwegingen

  1. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eiser hoeft dus geen griffierecht te betalen.
  2. Partijen zijn het erover eens dat het beroep gegrond is. De rechtbank gaat daarvan uit. De rechtbank moet een nadere beslistermijn bepalen.
  3. Verweerder heeft in zijn verweerschrift verzocht om een beslistermijn van twintig weken. Hij is voornemens om een herstelverzuim termijn te bieden voor het overleggen van nadere informatie/documenten. Ook is hij voornemens om eiser en/of referent uit te nodigen voor een gehoor.
  4. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat verweerder extra tijd krijgt voor het nemen van een besluit op de aanvraag. Hoewel verweerder eiser eerder een herstelverzuim termijn kon bieden, vergt een (mogelijk) gehoor tijd. De rechtbank acht een termijn van zestien weken na het verweerschrift redelijk. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 13 juli 2023 alsnog een besluit moet nemen. Met deze termijn wordt zowel recht gedaan aan het belang van verweerder om een zorgvuldige beslissing te nemen, als aan het belang van eiser om op betrekkelijk korte termijn een beslissing te krijgen op zijn aanvraag.
  5. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat verweerder een dwangsom van € 250,- is verschuldigd voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 37.500,-. De rechtbank kiest voor een hogere dwangsom dan gebruikelijk, omdat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij niet eerder een herstelverzuim termijn heeft aangeboden en/of eiser of referent heeft gehoord.
  6. De rechtbank veroordeelt verweerder ook in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 627,75 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 0,5 punt voor de reactie op het verweerschrift met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - draagt verweerder op uiterlijk op 13 juli 2023 een besluit op de aanvraag te nemen; - bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 250,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 627,
  7. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Greebe, rechter, in aanwezigheid van E.P.W. Kwakman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.