Rechtbank DEN HAAG Team Jeugd- en Zorgrecht Zaaksgegevens: C/09/643778 / JE RK 23-438 Datum uitspraak: 14 maart 2023 Beschikking van de kinderrechter Voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak naar aanleiding van het op 3 maart 2023 mondeling en op 6 maart 2023 schriftelijk ingekomen verzoek van: de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden,hierna te noemen: de Raad, betreffende de minderjarigen: - [minderjarige01] , geboren op [geboortedatum01] 2018 te [geboorteplaats01] , Oekraïne, hierna te noemen: [minderjarige01] ; - [minderjarige02] , geboren op [geboortedatum02] 2022 te [geboorteplaats02] , hierna te noemen: [minderjarige02] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de vrouw01] , hierna te noemen: de moeder, BRP-geregistreerd en verblijvende te [plaats01] , Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,hierna te noemen: de gecertificeerde instelling. Het procesverloop Op 3 maart 2023 heeft de kinderrechter in deze rechtbank mondeling beslist dat [minderjarige01] en [minderjarige02] voorlopig onder toezicht zijn gesteld en uit huis zijn geplaatst tot 6 maart 2023 te 17:00 uur, zulks in afwachting van de schriftelijke onderbouwing van het verzoek. Bij beschikking van 6 maart 2023 van de kinderrechter in deze rechtbank zijn [minderjarige01] en [minderjarige02] voorlopig onder toezicht gesteld tot 16 maart 2023 en is een machtiging verleend om hen uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling. Het verzoek is voor het overige aangehouden in afwachting van de mondelinge behandeling ter zitting. Op 14 maart 2023 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen: [naam01] namens de Raad; de moeder, ondersteund door [naam02] , tolk in de Oekraïense taal; [naam03] en een collega als toehoorder namens de gecertificeerde instelling. Feiten Voor zover de kinderrechter uit de beschikbare informatie kan afleiden is de moeder belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige01] en [minderjarige02] . De kinderen verblijven op dit moment samen in een gezinshuis. Verzoek en verweer Het verzoek strekt tot ondertoezichtstelling van [minderjarige01] en [minderjarige02] , met toepassing van artikel 1:257 van het Burgerlijk Wetboek, en tot het verlenen van een machtiging om hen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. De Raad heeft desgevraagd verduidelijkt dat wordt verzocht een machtiging te verlenen voor het gezinshuis waar de kinderen verblijven, dus voor plaatsing in een gezinsgerichte voorziening. Dit is een wijziging ten opzichte van de voorgaande beschikking. Aan het verzoek ligt ten grondslag dat er zorgen zijn over de ontwikkeling en veiligheid van de kinderen en het psychische welzijn van de moeder. Zij zijn gevlucht voor de oorlog in Oekraïne en verbleven in een noodopvang in [plaats01] . Daar waren eerder al zorgen geuit over problemen met het gebruik van alcohol en de mentale gezondheid van de moeder. Op 3 maart 2023 heeft dit geleid tot een acuut onveilige situatie voor de kinderen, omdat de moeder hen heeft achtergelaten in de opvang. De moeder wordt vanwege haar persoonlijke problemen op dit moment onvoldoende in staat geacht de zorg over de kinderen te dragen. Zij heeft ook een zeer beperkt netwerk dat haar kan ondersteunen. De grootmoeder moederszijde verblijft weliswaar ook in Nederland, maar de moeder heeft geen goede relatie met haar. Bovendien zijn er ook zorgen over vergelijkbare problematiek bij de grootmoeder. In het belang van hun veiligheid is het noodzakelijk dat de kinderen voorlopig in het gezinshuis blijven en dat wordt onderzocht welke hulp er voor het gezin nodig is, waaronder psychiatrische zorg voor de moeder. De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en het verzoek van de Raad. Daarbij is toegelicht dat de noodopvang naar de huidige omstandigheden geen geschikte plek is voor de moeder en de kinderen. Daarom zal worden gekeken of de moeder in aanmerking kan komen voor een beschermde woonvoorziening waar voldoende hulp en toezicht is om de veiligheid te waarborgen. Het streven is dat zij daar dan met de kinderen kan verblijven. De moeder heeft verklaard dat zij zich hopeloos voelt en wenst dat de kinderen zo snel mogelijk weer bij haar kunnen zijn. Beoordeling De kinderrechter is van oordeel dat het dringend en onverwijld noodzakelijk is dat [minderjarige01] en [minderjarige02] , hangend een nader in te stellen onderzoek naar de vraag of de ondertoezichtstelling geboden is, voorlopig onder toezicht worden gesteld en voor die duur uit huis worden geplaatst. Daarbij overweegt de kinderrechter dat [minderjarige01] en [minderjarige02] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, omdat de moeder onvoldoende in staat wordt geacht hun veiligheid te waarborgen. De moeder kampt met forse problemen, voortkomend uit haar verleden en de afgelopen spanningsvolle jaren vanwege de oorlog in Oekraïne. Zij is door die problemen op dit moment onvoldoende stabiel om de belangen van haar kinderen voorop te zetten. Zij ziet soms geen andere uitweg dan de pijn te verdoven en verliest daarbij de belangen van de kinderen uit het oog. Hierdoor heeft zij de kinderen in onveiligheid gebracht en dat mag niet meer gebeuren. Gebleken is dat de zorgen van dien aard zijn dat er meer hulp en toezicht nodig is dan in de noodopvang kan worden geboden. De kinderrechter acht het daarom noodzakelijk dat de kinderen voorlopig in het gezinshuis blijven. De komende periode zullen de Raad en de gecertificeerde instelling onderzoeken wat er nodig is om de zorgen weg te nemen en op welke manier de moeder en de kinderen op een veilige manier samen kunnen zijn. Daarom zal als volgt worden beslist. Beslissing De kinderrechter: stelt [minderjarige01] en [minderjarige02] van 16 maart 2023 tot 3 juni 2023 voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland; en machtigt Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland om [minderjarige01] en [minderjarige02] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling en verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2023 door mr. S.M. Borkent, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.T. Viezee als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 30 maart 2023. Voor zover deze beschikking betrekking heeft op de machtiging tot uithuisplaatsing, kan hoger beroep worden ingesteld: - door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof Den Haag.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.