RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.7817 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. H.C.Ch. Kneuvels), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda). Procesverloop Bij besluit van 9 maart 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL23.7818, op 6 april 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
- Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Gambiaanse nationaliteit te hebben. Op 26 september 2022 heeft eiser in Nederland een asielaanvraag ingediend.
- Bij bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 27 oktober 2021 in Frankrijk al een asielaanvraag had ingediend. Verweerder heeft daarom de autoriteiten van Frankrijk verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening. Omdat Frankrijk niet binnen twee weken heeft gereageerd op dat verzoek staat met ingang van 6 december 2022 de verantwoordelijkheid van Frankrijk vast op grond van artikel 25, tweede lid, van de Dublinverordening. Op 6 december 2022 hebben de autoriteiten van Frankrijk overigens het verzoek alsnog expliciet geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening.
- Eiser kan zich niet vinden in het bestreden besluit en voert daartoe aan dat uit het expliciete claimakkoord volgt dat er een gecontroleerde overdracht moet plaatsvinden. Hij is bang voor de toekomst en wil in Nederland wil blijven.
- Het geschil ziet op de vraag of verweerder de asielaanvraag onverplicht in behandeling had moeten nemen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser heeft niet voldoende onderbouwd waarom hij zelfstandig naar Frankrijk wil reizen in plaats van mee te werken aan een gecontroleerde overdracht. Dat hij bang is voor de toekomst is hiervoor onvoldoende. Ook de stelling dat eiser in Nederland wil blijven is verder niet gemotiveerd en onderbouwd. Verweerder heeft daarom geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. De beroepsgronden slagen niet.
- Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Vreemdelingenwet
- Verordening nr. (EU) 604/2013.