RECHTBANK Den Haag Team Handel Zaaknummer: C/09/635629 / HA ZA 22-804 Vonnis van 5 april 2023 in de zaak van SCANDICA NEDERLAND B.V. te Maasdijk, eisende partij, hierna te noemen: Scandica, advocaat: mr. L.H.E. Drenthe te Amsterdam, tegen 1 [B.V. I] te [plaats 1] ,2. [B.V. II] te [plaats 2] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [B.V. I c.s.] , hierna afzonderlijk te noemen: [B.V. I] en [B.V. II] , advocaat: mr. M.A.D. Bol te Rotterdam. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaardingen van 20 september 2022, met producties 1 tot en met 10; - de conclusie van antwoord, met producties 1 en 2; - het tussenvonnis van 18 januari 2023, waarbij een mondelinge behandeling is gelast; - de brief van 6 februari 2023 van [B.V. I c.s.] , met producties 3 en 4. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 februari 2023. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt die zijn toegevoegd aan het griffiedossier. 1.3. Ten slotte is de datum voor het wijzen van vonnis bepaald op heden. 2De feiten 2.1. [B.V. II] is in 2009 opgericht en wordt bestuurd door de heer [A] (hierna: [A] ). Vanaf 15 oktober 2011 tot in ieder geval 16 december 2020 stond ook zijn vrouw [B] (hierna: [B] ) als bestuurder ingeschreven in het handelsregister. De aandelen in [B.V. II] worden gehouden door [A] en zijn twee dochters. 2.2. In een uittreksel uit het handelsregister van 16 december 2020 worden als activiteiten van [B.V. II] genoemd: “Winkels in dameskleding”, “Financiële holdings”, “Detailhandel via overige distributievormen”, “Winkels in artikelen voor woninginrichting algemeen assortiment” en “Interieur- en ruimtelijk ontwerp”. Een van de handelsnamen die door [B.V. II] werd gevoerd, was “ [Handelsnaam] ”. 2.3. Uit een uittreksel uit het handelsregister van 25 november 2021 volgt dat [B.V. II] de handelsnaam “ [Handelsnaam] ” niet langer voert. Het uittreksel maakt ook geen melding meer van de activiteiten “Winkels in dameskleding” en “Winkels in artikelen voor woninginrichting algemeen assortiment”. Alleen [A] wordt nog vermeld als bestuurder van [B.V. II] . 2.4. Mevrouw [C] (hierna: [C] ) is de zus van [B] . [C] werkte tot maart 2020 in loondienst bij [X] te [plaats 1] , een damesmodewinkel gespecialiseerd in grote maten (hierna: [X] ). Deze winkel is in juni 2020 gesloten. 2.5. Op 29 juli 2020 is [B.V. I] opgericht door [C] , [A] en [B.V. II] . [B.V. II] is bestuurder van [B.V. I] . De bedrijfsactiviteiten van [B.V. I c.s.] zijn gericht op het uitbaten van een modewinkel in [plaats 1] voor grote maten genaamd “ [B.V. I] ”. De activiteiten in [B.V. I] worden verricht door [C] en [B] . 2.6. Scandica houdt zich onder meer bezig met het beheer van liquide middelen. Van 18 september 2008 tot 23 november 2020 was [A] bestuurder van Scandica. Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 mei 2022 is [A] vanwege oneigenlijk gebruik van gelden van Scandica veroordeeld tot vergoeding van de door Scandica geleden en te lijden schade, op te maken bij staat. Ook [B] en [B.V. II] zijn veroordeeld tot vergoeding van schade ‘voor het gedeelte dat hen aangaat’. [A] is daarnaast veroordeeld tot betaling van een voorschot van € 800.000 (te verminderen met reeds verrichte terugbetalingen). 2.7. Bij brief van 20 mei 2022 heeft Scandica het volgende aan [B.V. I] bericht: “Scandica Nederland BV (Scandica) heeft onlangs kennis genomen van het feit dat u kennelijk op of rond 29 juli 2020 de ondernemingsactiviteiten van [B.V. II] hebt overgenomen. Scandica heeft een substantiële vordering op [B.V. II] en ziet zich door deze onverplichte rechtshandeling benadeeld in haar verhaalsmogelijkheden. Nu [B.V. II] bestuurder is van uw vennootschap (en op haar beurt weer vertegenwoordigd wordt door de heer [A] ) kan de bij haar bestaande wetenschap van benadeling aan u worden toegerekend. Gezien het bovenstaande vernietigt Scandica bij deze de door u met [B.V. II] aangegane rechtshandeling op grond van art. 3:45 BW. Graag vermeen ik binnen veertien dagen na dagtekening of u in deze vernietiging berust.” 2.8. Op 23 mei 2022 heeft [B.V. I] hierop, voor zover hier van belang, als volgt gereageerd: “Uw e-mail van 20 mei 2022 werd door ons in goede orde ontvangen. Van enige overname bedrijfsactiviteiten door [B.V. I] van [B.V. II] is geen sprake. Wij zijn een winkel in gespecialiseerde damesmode. Dat is een door onszelf opgestarte activiteit. Er is ook geen enkele vergoeding betaald aan [B.V. II] voor wat dan ook. Er valt dus geen enkele handeling te vernietigen” 2.9. Bij e-mail van 14 september 2022 heeft [B.V. I] bij monde van haar advocaat aan Scandica laten weten niet te berusten in de vernietiging. 3Het geschil 3.1. Scandica vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, I. primair, vernietiging van de rechtshandelingen die betrekking hebben op het overdragen van enig goed van [B.V. II] aan [B.V. I] ; II. subsidiair, – indien de rechtbank meent dat gronden aanwezig zijn om de vernietiging geheel of gedeeltelijk haar werking te ontzeggen – hoofdelijke veroordeling van [B.V. I c.s.] tot betaling van een uitkering in geld, nader op te maken bij staat; III. beide keren met (hoofdelijke) veroordeling van [B.V. I c.s.] in de proceskosten. 3.2. Aan deze vorderingen legt Scandica ten grondslag dat [B.V. II] de activiteiten (waaronder begrepen de goodwill of het handelsdebiet daarvan) die zij op het gebied van verkoop van dameskleding onder de handelsnaam “ [Handelsnaam] ” verrichte (hierna: de activiteiten van “ [Handelsnaam] ”), om niet aan [B.V. I] heeft overgedragen. Scandica is als gevolg van deze onverplichte rechtshandeling benadeeld in haar verhaalsmogelijkheden als bedoeld in artikel 3:45 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). [B.V. I] voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid, dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Scandica in de proceskosten. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Op grond van artikel 3:45 lid 1 BW is een rechtshandeling vernietigbaar als zij onverplicht is en de schuldenaar bij het verrichten daarvan wist of behoorde te weten dat benadeling van een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden het gevolg zou zijn (de zogenoemde Pauliana). Stelplicht en eventuele bewijslast met betrekking tot de elementen van de Pauliana rusten op de schuldeiser die haar inroept. 4.2. Voor een beroep op de Pauliana moet allereerst sprake zijn van een onverplichte rechtshandeling van de schuldenaar. Die onverplichte rechtshandeling is hier volgens Scandica gelegen in de omstandigheid dat de activiteiten van “ [Handelsnaam] ” om niet aan [B.V. I] zijn overgedragen. Dat er activiteiten van “ [Handelsnaam] ” zijn overgedragen, wordt door [B.V. I c.s.] gemotiveerd betwist. Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat de door Scandica bedoelde rechtshandeling heeft plaatsgehad. Daarmee is niet voldaan aan een eerste vereiste voor de Pauliana, zodat de vorderingen moeten worden afgewezen. De rechtbank licht dit hierna toe. 4.3. Dat sprake is geweest van een overdracht van activiteiten leidt Scandica af uit
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.