RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 21/7345 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 januari 2023 in de zaak tussen [eiser], te [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. S. Karkache), en Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerder (gemachtigde: A. Hepping). Procesverloop Bij besluit van 5 maart 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een uitkering uit het Schadefonds geweldsmisdrijven afgewezen. Bij besluit van 1 oktober 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De zitting was op 12 december
- Eiser en zijn gemachtigde waren hierbij aanwezig. De gemachtigde van verweerder was hierbij aanwezig. Overwegingen Waar gaat deze zaak over?
- Eiser heeft bij verweerder een aanvraag ingediend voor een uitkering uit het Schadefonds geweldsmisdrijven (een uitkering). Eiser, niet van Nederlandse nationaliteit, heeft aangifte gedaan van mensenhandel. Zijn inmiddels ex-vrouw zou hem zijn paspoort en de toegang tot zijn bankrekening hebben ontnomen, geldbedragen van hem hebben verlangd, hem hebben mishandeld en gedreigd hebben eiser aan te geven bij de Integratie- en Naturalisatiedienst. Wat heeft verweerder besloten?
- Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen. Het is volgens verweerder niet aannemelijk geworden dat eiser het slachtoffer is geworden van een geweldsmisdrijf. De door eiser gedane aangifte van mensenhandel is geëindigd in een sepot. Wel wordt door de politie nog onderzocht of eiser het slachtoffer is geworden van oplichting, maar dat is niet aan te merken als een geweldsmisdrijf. Verweerder beschikt daarom niet over voldoende objectieve informatie die de aangifte van mensenhandel van eiser ondersteunt. Wat vindt eiser in beroep?
- Eiser vindt dat hij wel voldoende objectieve informatie heeft aangeleverd om aan te tonen dat hij het slachtoffer is geworden van mensenhandel. Hij wijst in de eerste plaats op het feit dat hij aangifte heeft gedaan. Hij heeft hier meerdere processen-verbaal van overgelegd. Dat deze aangifte is geëindigd in een sepot, betekent nog niet dat het misdrijf niet heeft plaatsgevonden. Daarnaast heeft eiser schermafdrukken van meerdere Whatsappconversaties overgelegd, waaruit zou blijken dat zijn ex-vrouw hem geldbedragen afdreigde. Tot slot heeft eiser schriftelijke verklaringen overgelegd van zijn psychiater, waaruit het geestelijk letsel dat hij aan het misdrijf heeft overgehouden blijkt. Wat is het oordeel van de rechtbank?
- De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat eiser ten gevolge van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a van de Wet Schadefonds geweldsmisdrijven.
- De door eiser gedane aangifte is geëindigd in een sepot, waardoor er geen strafrechtelijke veroordeling meer te verwachten is waarmee zou komen vast te staan dat eiser het slachtoffer is geworden van mensenhandel. De bewijsstukken die eiser heeft aangeleverd zijn onvoldoende om, ondanks het sepot, aan te nemen dat hij wel het slachtoffer is geworden van mensenhandel. De door eiser overgelegde schermafdrukken van Whatsappconversaties zijn hiertoe niet voldoende, omdat de daarin voorkomende berichten geen blijk geven van mensenhandel en niet is komen vast te staan dat deze berichten daadwerkelijk afkomstig zijn van de ex-vriendin van eiser. Ook de schriftelijke verklaringen van de psychiater van eiser zijn onvoldoende om aan te nemen dat eiser het slachtoffer is geworden van mensenhandel, omdat hieruit slechts kan worden geconcludeerd dat eiser in behandeling is. Het betoog van eiser slaagt niet.
- Het beroep is ongegrond. Verweerder hoeft de kosten die eiser voor deze procedure heeft gemaakt niet te vergoeden. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Janmaat, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 januari
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.