Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer strafzaken Parketnummers: 09/009469-22, 09/293346-22 en 09/238920-22 (gev); 09/026778-21 (tul), 09/194380-20 (tul) en 09/265009-21 (tul) Datum uitspraak: 26 april 2023 Tegenspraak Vonnis (vul parketnummer in)van de rechtbank Den Haag in de (kies tussen de alternatieven)zaken tegen de verdachte: [verdachte] (hierna: de verdachte), geboren op [geboortedatum 1] te Rotterdam, adres: [adres] , op dit moment in voorlopige hechtenis verblijvende in de P.I. te Alphen aan den Rijn. 1Het onderzoek ter zitting De strafzaak tegen de verdachte is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 april 2023. De officier van justitie in deze zaak is mr. C.M. Offers en de advocaat van de verdachte is mr. V.S. Nolet te Den Haag. De verdachte is op de zitting verschenen. 2De tenlastelegging De verdachte wordt er, na wijziging van de tenlastelegging, samengevat, van beschuldigd dat hij op 24 december 2021 in Leiden samen met anderen een woning heeft overvallen en daarbij tegen [slachtoffer 1] geweld heeft gebruikt, dan wel gedreigd heeft met geweld, (primair), of hier medeplichtig aan is geweest (subsidiair) (09/009469-22); op 7 juni 2022 in Leiden twee Buitengewoon Opsporingsambtenaren heeft beledigd (09/293346-22); op 17 mei 2022 in Leiden is doorgereden na een aanrijding, waarbij hij [slachtoffer 3] in hulpeloze toestand heeft achtergelaten (09/238920-22 feit 1); op 17 mei 2022 in Leiden [slachtoffer 3] geen voorrang heeft verleend, waardoor letsel is ontstaan (09/238920-22 feit 2); op 17 mei 2022 in Leiden zonder rijbewijs op een scooter heeft gereden (09/238920-22 feit 3). De volledige tekst van de tenlastelegging staat in bijlage I. 3Waardering van het bewijs In bijlage II heeft de rechtbank de bewijsmiddelen opgenomen. De rechtbank heeft volstaan met een opsomming, nu de verdachte deze feiten heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Om die reden kan het onder 09/009469-22, 09/293346-22 en 09/238920-22 feiten 1, 2 en 3 tenlastegelegde ook zonder nadere motivering bewezen worden verklaard. Van de onder 09/293346-22 tenlastegelegde belediging van [slachtoffer 2] zal de verdachte worden vrijgesproken, omdat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat het de verdachte was die de tenlastegelegde beledigende woorden tegen [slachtoffer 2] uitte. 4De bewezenverklaring Op grond van de bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 09/009469-22, 09/293346-22 en 09/238920-22 feiten 1, 2 en 3(vul de feitaanduidingen
(2x), ITB-CRIEM, een meldplicht, een behandelverplichting, woonbegeleiding/maatschappelijke opvang en meewerken aan ambulante begeleiding. Dit heeft niet het gewenste effect gesorteerd. De reclassering kan niet anders dan concluderen dat alle mogelijkheden binnen het jeugdstrafrecht zijn uitgeput. De reclassering vraagt zich dan ook af waarom een afdoening middels het jeugdstrafrecht nu wel een positief effect zal sorteren. De reclassering acht het van belang dat wordt gekeken naar de behoeften en mogelijkheden op langere termijn om de risico’s te kunnen beperken. De verdachte wordt in september 2023 drieëntwintig, waarbij hij in het maatschappelijk verkeer als ‘volwassene’ zal worden gezien. Een afdoening middels het jeugdstrafrecht zal hulpverlening, passend bij deze leeftijd, bemoeilijken. Dit kan ook een negatieve invloed hebben op het terugdringen van recidive. Bij een veroordeling volgens het volwassenenstrafrecht zullen er meer mogelijkheden zijn om hem de passende hulpverlening te bieden, in de vorm van een begeleide woonvorm, ambulante begeleiding of dagbesteding. Bij begeleiding door de volwassenenreclassering zal, gelet op de ontwikkelingsachterstand, rekening worden gehouden met de beperkte zelfstandigheid en autonomie. Dit kan ondervangen worden middels een begeleide woonvorm al dan niet in combinatie met ambulante begeleiding. Mevrouw [GZ psycholoog] , PJ-rapporteur en GZ-psycholoog, heeft als deskundige ter zitting het volgende verklaard. De handelingsvaardigheden van de verdachte zijn beperkt, ongeacht of daar een neurocognitieve stoornis of een normoverschrijdende gedragsstoornis aan ten grondslag ligt. Het verschil in leerbaarheid is wel afhankelijk van welke stoornis de verdachte heeft, wat ook uitmaakt voor de in te zetten interventie. Het klinisch-genetisch onderzoek hiernaar is echter nog niet afgerond. Toch zal, ongeacht de uitkomst hiervan, het jeugdstrafrecht toegepast moeten worden. Pedagogische interventies zullen namelijk beter aansluiten bij de verdachte. Mevrouw [deskundige 1] heeft, namens de jeugdreclassering, als deskundige ter zitting verklaard dat de verdachte gemotiveerd is voor het reclasseringstraject. Hij is alle afspraken bij het LUMC nagekomen en is ook geïnteresseerd in de uitkomst van het onderzoek. Ook heeft de verdachte akkoord gegeven voor de aanvragen van curatele en een Wajong-uitkering, waar hij zich eerst juist altijd tegen verzette. Waar voorheen nauwelijks kon worden doorgepakt, is nu een grote verandering merkbaar. Mevrouw [deskundige 2] heeft, namens Reclassering Nederland, als deskundige ter zitting het volgende verklaard. De interventies in het jeugdstrafrecht hebben tot op heden niet tot het juiste effect geleid. Dan moet afgevraagd worden wat er wel nodig is. Binnen de volwassenenreclassering zijn er meer mogelijkheden om de verdachte te begeleiden. Ook kan hij via die weg makkelijker doorstromen naar een meer zelfstandige woonvorm, omdat die voornamelijk vanuit het volwassenenstrafrecht gefinancierd wordt. Toepassing van het jeugdstrafrecht Ten aanzien van de vraag of het volwassenstrafrecht of het jeugdstrafrecht moet worden toegepast, overweegt de rechtbank als volgt. De verdachte was ten tijde van de feiten 21 jaar oud en dus meerderjarig. Het uitgangspunt is dat een meerderjarige verdachte wordt berecht volgens het volwassenstrafrecht. De rechtbank ziet, anders dan de verdediging, geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken en het jeugdstrafrecht toe te passen. Zo zijn er in de persoonlijkheid van de verdachte onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat hij pedagogisch beïnvloedbaar is. Er is sprake van een aanzienlijke justitiële voorgeschiedenis en een zeer grote hoeveelheid aan politiemutaties. Ten tijde van het plegen van de onderhavige delicten liep de verdachte in meerdere proeftijden en werd hij al geruime tijd begeleid door de jeugdreclassering en een coach. Ook werd eenmaal ITB Criem en tweemaal ITB Harde Kern ingezet. Al deze ingezette interventies hebben er niet toe geleid dat de verdachte geen nieuwe strafbare feiten pleegde. Ook zijn bij de verdachte stoornissen vastgesteld die niet zullen verdwijnen. Daarnaast is de verdachte inmiddels bijna 23 jaar oud. Op enig moment zal hij toch als volwassene moeten gaan deelnemen aan het maatschappelijke leven. Hoewel de rechtbank, net als de deskundigen, indicaties ziet voor het toepassen van het jeugdstrafrecht, zijn de mogelijkheden om de verdachte binnen het jeugdstrafrecht verder te helpen, uitgeput. Het volwassenstrafrecht biedt meer passende en meer duurzame mogelijkheden voor begeleiding en hulpverlening, hetgeen ook van belang is ter voorkoming van verdere recidive. Al met al zijn er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om opnieuw tot toepassing van het jeugdstrafrecht over te gaan. De verdachte wordt dan ook volgens het volwassenstrafrecht berecht. Op te leggen straf of maatregel De rechtbank is van oordeel dat, gezien de ernst van de feiten en de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Een deel van deze gevangenisstraf zal voorwaardelijk worden opgelegd met daaraan gekoppeld de hierna te noemen bijzondere voorwaarden. De rechtbank vindt het belangrijk dat de verdachte na zijn detentieperiode gedurende de proeftijd in beeld blijft bij de reclassering voor begeleiding en eventuele interventie. Bij de strafoplegging houdt de rechtbank aan de ene kant rekening met de recidive en het feit dat de verdachte in meerdere proeftijden liep. Aan de andere kant wegen mee het tijdsverloop van deze zaken, maar ook de jong meerderjarige leeftijd van de verdachte en zijn persoonlijke problematiek. De rechtbank zal om die reden afwijken van de eis van de officier van justitie. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank de verdachte een boete van in totaal € 440,00 opleggen voor de begane overtredingen. 8De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen 09/009469-22 [slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en heeft een schadevergoeding van € 14.932.58, te vermeerderen met de wettelijke rente, gevorderd. Dit bedrag bestaat uit € 17.432,58 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade, verminderd met € 5.000,00 reeds vergoede schade. 09/293346-22 [slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en heeft een schadevergoeding van € 100,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, gevorderd. [slachtoffer/verbalisant] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en heeft een schadevergoeding van € 100,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, gevorderd. 9.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] toewijsbaar is, net als de vordering van benadeelde partij [slachtoffer/verbalisant] . De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] zal niet-ontvankelijk verklaard moeten worden, nu vrijspraak is verzocht. 9.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich gerefereerd ten aanzien van de immateriële schade van de benadeelde partij [slachtoffer 1] . De materiële schade zal gematigd moeten worden met een bedrag van ten minste € 7.000,00, nu de vordering ten aanzien van de gouden sieraden onvoldoende is onderbouwd. De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] dient te worden afgewezen, aangezien niet de verdachte, maar de medeverdachte deze beledigingen zou hebben geuit. Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer/verbalisant] is primair afwijzing bepleit, en subsidiair matiging, omdat de vordering erg zwaar is aangezet. 9.3 Het oordeel van de rechtbank Benadeelde partij [slachtoffer 1] Materiële schade De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de materiële schade, de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank ziet in de toelichting onvoldoende onderbouwing dat de sieraden daadwerkelijk zoveel gekost hebben. daarnaast is niet duidelijk wanneer de aangever deze heeft aangeschaft. De rechtbank kan evenmin vaststellen dat de sieraden van echt goud en zilver zijn. Aan de benadeelde partij de gelegenheid bieden tot nadere bewijslevering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Immateriële schade De rechtbank acht de vordering ten aanzien van de immateriële schade, gezien de ernst van het feit en de gevolgen voor de benadeelde partij, voor het gevorderde bedrag toewijsbaar. De rechtbank zal derhalve de vordering ten laste van de verdachte toewijzen tot een bedrag van € 2.500,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente met ingang van 24 december
- Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Omdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij hebben betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen. Schadevergoedingsmaatregel Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2.500,00 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 december 2021 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1] . De rechtbank stelt vast dat gijzeling kan worden toegepast met een maximum van 35 dagen. Benadeelde partij [slachtoffer 2] De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit waarop de vordering betrekking heeft, wordt vrijgesproken. Nu de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil. Benadeelde partij [slachtoffer/verbalisant] De rechtbank zal de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank kan onvoldoende vaststellen wat de geleden schade is. Het uitzoeken hiervan levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Nu de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil. 9Vordering tenuitvoerlegging De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat de proeftijd van de bij vonnis van de politierechter d.d. 15 april 2021 voorwaardelijk opgelegde werkstraf (parketnummer 09/026778-21) verlengd moet worden. De verdachte heeft zich voor het einde van de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. Door de proeftijd te verlengen, zal bovendien de overgang van het jeugdstrafrecht naar het volwassenstrafrecht soepeler verlopen. Ook kan via deze weg de voorgestelde woonvorm ingezet worden onder de financiering via het jeugdstrafrecht, en kan ook de coaching vanuit Its4Sure blijven doorlopen. De vorderingen tenuitvoerlegging met parketnummers 09/194380-20 en 09/265009-21 zullen worden afgewezen. 10De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 36f, 47, 57, 62, 63, 266, 267, 312 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 7, 107, 176(vul de feitaanduidingen in) en 177 van Wegenverkeerswet 1994(vul de feitaanduidingen in) en de artikelen 62 en 80 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens
- Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde golden. 11Bijlagen De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis. 12De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 09/009469-22, 09/293346-22 en 09/238920-22 feiten 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 4 is omschreven en kwalificeert dit als 09/009469-22 diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen; 09/293346-22 eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening; 09/238920-22 Feit 1: overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel c van de Wegenverkeerswet 1994; Feit 2: overtreding van het bepaalde bij artikel 80 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; Feit 3: overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994; verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij; straf en/of maatregel veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze gevangenisstraf wordt afgetrokken; bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich tot het einde van de proeftijd, die wordt vastgesteld op 2 jaren, houdt aan de volgende voorwaarden:
- dat hij zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
- dat hij zich gedurende de proeftijd zal houden aan de aanwijzingen van Reclassering Nederland en zich zal melden bij de reclassering, zo lang als de reclassering dat noodzakelijk acht;
- dat hij gedurende de proeftijd actief deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa-plus of een soortgelijke interventie die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;
- dat hij gedurende de proeftijd meewerkt aan een intake bij en het verblijven in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, zo lang als de reclassering dat noodzakelijk acht;
- dat hij gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect en ook niet via sociale media – contact zal opnemen, zoeken of hebben met het slachtoffer: - [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] ; en met de medeverdachten: - [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum 3] ; - [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum 4] ;
- dat hij zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden binnen een straal van vijfhonderd meter van de woning van de aangever, te weten het Jacques Urlusplantsoen 265 te Leiden, zo lang als de reclassering dit noodzakelijk vindt;
- dat hij gedurende de proeftijd een zinvolle en door de reclassering goedgekeurde dagbesteding zal hebben;
- dat hij gedurende de proeftijd zal meewerken aan een coachingstraject en zich zal houden aan de afspraken die daarbij met hem worden gemaakt, voor zo lang als de reclassering dat noodzakelijk acht; geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden; voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd: ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen; heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf; veroordeelt de verdachte ten aanzien van 09/238920-22 onder feit 2 tot: een geldboete van € 190,00; bepaalt dat de geldboete bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen door hechtenis voor de tijd van 3 dagen; veroordeelt de verdachte ten aanzien van 09/238920-22 onder feit 3 tot: een geldboete van € 250,00; bepaalt dat de geldboete bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen door hechtenis voor de tijd van 5 dagen; schadevergoeding Benadeelde partij [slachtoffer 1] wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van € 2.500,00 euro, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 december 2021 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, met veroordeling van de verdachte in de kosten van de benadeelde partij gemaakt - tot op heden begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding; bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag; schadevergoedingsmaatregel legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2.500,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 24 december 2021 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1] ; bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting – gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 35 dagen; bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen; Benadeelde partij [slachtoffer 2] bepaalt dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding; Benadeelde partij [slachtoffer/verbalisant] bepaalt dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding; bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; vorderingen tenuitvoerlegging 09/026778-21 verlengt de proeftijd van de bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 15 april 2021 opgelegde voorwaardelijke werkstraf met één jaar; 09/194380-20 wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 21 oktober 2020 opgelegde werkstraf; 09/265009-21 wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 17 december 2021 opgelegde werkstraf. Dit vonnis is gewezen door mr. E.C.M. Bouman, kinderrechter, voorzitter, mr. M.H. Rochat, kinderrechter, en mr. B.A. Sturm, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis, griffier. Het is uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank van 26 april 2023.